elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: broek 

broek , brok , brokke , Broek.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
broek , brook , (onzijdig) , grasrijke laagte in de heide.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
broek , broek , ondergeloopen land.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
broek , broek , (mannelijk) , broeken , het niet weggesneden gedeelte van den balzak. Van een gelubden stier of ram heet broek, hoe vetter en zwaarder de broek van een os of weer is, des te beter. Vroeger nam men een gedeelte van den zak weg, nu maakt men twee insnijdingen, en neemt de ballen ter wederzijde uit.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
broek , brôk , (onzijdig) , lage streek.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
broek , brôk , (onzijdig) , lage streek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
broek , brouk , zie: bōksen. Middel-Nederlandsch brouc, broec, Middel-Hoogduitsch bruoch, Middel-Nederduitsch brôk, Oud-Hoogduitsch bruchha, Angel-Saksisch brôc, Oud-Friesch brôk, brêk, Engelsch bruches, Hoogduitsch Dialectisch bruch, Latijn bracca. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
broek , broek , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Moerassig, laag land.Zie de wdbb. In de naam van verschillende stukken land, b.v. het Broekje (te W. Zaandam bij de Noorder-IJdijk). – Een der vier delen, waarin Assendelft eertijds was gesplitst, heet het Broekvierendeel. Wij vinden dit Broek reeds in de 12e e. vermeld. || In Escemdelf juxta Wifert in Broke octo virgas er dimidiam, Oorkb. I n° 204 (a° 1182-1206). – Vgl. Broekdijk, broeklander, broekweer en Haaldersbroek, Kranenbroek, Leibroek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
broek , broek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Het kledingstuk. Zie zegsw. op dagwerk, meid en snert, en vgl. broekgordijn, broekhoest, Broekvol, drasbroek, perebroek. – Ook in de volgende opvattingen: a) In de kap van een molen. Een zwaar H-vormig stel balken, dat aan de ene zijde in de achterbalk is bevestigd en aan de andere kant op de penbalk (broekbalk), en tegen welk dwarsstuk de pen van de as maalt. Dit dwarsstuk draagt de naam van broekstuk, de benen der H die van zijwanden van de broek. Vgl. Groot Volk. Moolenb. II, pl. 3, waar de broek onder de benaming stoel is afgebeeld. – b) Bij de zeildoekweverij. Een der beide delen van de tempel; het broekvormig gedeelte, waar de poot in past. Vgl. tempel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
broek  , brook , zware grond z.g. uiterwaard.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
broek , brouk , onzijdig , broek, moerassig land
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
Broek , Broek , v , ’t Broek ’t Broek gemeensch. grond in uiterwaarden [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
broek , broek , (ouderwets), paardetuig dat de dijen der paarden omsluit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
broek , broek , zelfstandig naamwoord de/’t , Moerasland. Het woord is mogelijk verwant met breken, eigenlijk door water gebroken land. Een andere suggestie is, dat het teruggaat op een keltisch woord brog = streekland. Als element van plaatsnamen komt broek o.a. voor in Broek op Langedijk, Grootebroek, Lutjebroek enz.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Broek , Broek , zelfstandig naamwoord , Kortweg voor Broek op Langedijk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broek , broek , zelfstandig naamwoord de , 1. Broek, pantalon. 2. Gedeelte van het paardetuig dat het achterste van een paard omspant. Zegswijze de broek heêl houwe, er financieel uitspringen, geen verlies lijden. – De broek op de freethaak hewwe, onbetamelijk veel eten. – De broek moet welders skrobd worre, je kunt niet altijd het heertje zijn. – An de broek trekke, terugkrabbelen, bakzeil halen. – An de broek kroige, een pak slaag krijgen, gevoelig verliezen. | Ze krege mit 5-0 an de broek. – Ientje de broek opbinde, 1. iemand een pak rammel geven. 2. iemand de baas zijn, te vlug af zijn. – Mit de broek of moete, zijn behoeften moeten doen. – Je kenne van moin je broek strooie, je kunt van mij naar de pomp lopen. – Zô kè je mit je broek wel paling vange, met zoveel geluk kun je alles wel bereiken; door zo te redeneren is zelfs het onmogelijke te realiseren. – Hoe wul je ’n broek make as je gien bille hewwe, hoe wil je zonder (geld)middelen iets bereiken. – Je moet je oigen broek maar ophale, je moet jezelf maar zien te redden. – Trek je broek maar uit en gaan maar op de poipe staan, schertsreactie op iemands opmerking ergens niet bij te kunnen (met betrekking tot de hoogte). Meervoud broeke, in de zegswijze weer broeke benne, betale gien doeke, het is usance dat een jongen de vertering van het meisje betaalt. ‘Broeke’ duidt hier op broekdragers of jongens, ‘doeke’ op meisjes die een doek of sjaal dragen. Verkleinvorm broekie, in de zegswijze achter ’t gebreeën broekie lègge, schertsend voor: naast zijn vrouw in bed liggen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
broek , brook , moerassig stuk land.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
broek , broek , zelfstandig naamwoord , 1. in de uitdrukking die het ’m ut z’n broek lotte hange : gezegd wanneer iemand iets duurs heeft aangeschaft (KRS: Wijk) 2. in de uitdrukking die is zo mak, die ken je rije zonder broek : gezegd van iemand (met name een vrouw), die zeer gewillig, volgzaam is (KRS: Werk). De broek is het achterste deel van het paardetuig, en heeft als functie te voorkomen dat bij het remmen het tuig naar voren schuift, over het paard heen. Bij een zeer mak paard kon je bij het remmen van de wagen je voet tegen de billen van het zetten, om aldus te verhinderen dat de wagen (het tuig) onzacht tegen de achterkant van het paard zouden aankomen. Daar had je de broek dus niet nodig.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
broek , brook , laag gelegen stuk land.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
broek , brook , breukien , broek.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
broek , uut de brook mötten , naar de w.c. moeten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
broek , broek , brukie , broek; * uut de broek goan: naar het toilet gaan; uut de broek naar de wc moeten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
broek , broek , brook, broouk, brouk , broeken , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook brook (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), broouk (Midden-Drenthe), brouk (Kop van Drenthe) = broekland, drassig land, uitsluitend in het meerv. en vaak in samenstellingen als veldnaam. Wij hebt de koenen in de Broeken (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
broek , broek , brook , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied). Ook brook (Zuidwest-Drenthe). Elders in bet. 1. is broek jongere vorm naast boks etc. = 1. broek Hij kreeg het nao an de brook het was op het nippertje (Die), Hij hef mij wat an de brook zet met de schulden laten zitten (Rui), Die löp veur de broek an is mager (Klv), Der met een schone broek oetspringen zonder kleerscheuren (Eri), Ik meu neug uut de brook naar de wc (Rui), Iene wat an de broek zetten beetnemen, met name in zaken (Hgv), Iene de broek anmeten terecht wijzen (Bro), Iene de broek opbienden de wacht aanzeggen (Hgv), Het an de broek kriegen een nederlaag lijden (Geb), Die hef er de broek an escheurd heeft zich er aan gebrand (Wsv), Dat is broek en wambuis twee handen op één buik (N: Zwe), Een holten broek een preekstoel (Hgv), He hef een voele broek schulden (be: Kop van Drenthe), Ik snap oe wel, jonggien, ie willen mij een vère ien de brook stikken ophemelen (Rui), Hee hef voeligheid an de broek is niet te vertrouwen (be: Zuid-Drenthe), Die hef een wiede broek an neemt het niet zo nauw (Dwi), zie ook bij boks 2. achterwerk van een koe (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hie hef een beste broek an (Sle), Dat biest stiet goed in de broek (Hav) 3. netwerk, gebruikt bij een koe (Zuidoost-Drents zandgebied) Die koe hew een broek andaon, want het leek er op dat e de boel oetwarken wol (Pdh) 4. deel van paardetuig, meerdere riemen, die het achterste omsluiten Het karrepeerd haar vroouger de broek an, die broek zat vaast an het eeinspan (Nor) 5. velletje om de boekweit (Zuidwest-Drenthe, zuid) De broek mut er of. Die treden ze der of in een tonnegie mit schoenen an (Hol) *Snieder, maak mij de brook wat wieder / Mor niet zo wied / Dat e mij van het gat ofgliedt (Hijk), zie ook bij boks
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
broek , broek , laag, drassig land.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
broek , broek , broek. Ie kun beter oe broek an de wîêge skeuren as een òld wief in bedde beuren ‘je kunt beter een jonge dan een oude vrouw hebben’ (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
broek , broek , Gunninks woordenlijst van 1908: broekland
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
broek , bruukkien , broekje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
Broek , ’t Broek , polder tussen Apeldoorns kanaal en IJssel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
Broek , Broek , zelfstandig naamwoord , et; variant van de bekende plaatsnaam Donkerbroek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broek , broek , broeke , zelfstandig naamwoord , Iet, de; broekland, vaak: in gemeenschappelijk bezit van boeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broek , broek , zelfstandig naamwoord , de 1. bekend kledingstuk: broek 2. aangehecht deel van het paardentuig, om het achterste van het paard, onder de staart door 3. de verdroogde blaadjes van de bloemkelk van de boekweit 4. kont, billen van een koe of paard en het vet/vlees erop
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
broek , broek , uitdrukking , Asset regent uit d’n hôôgen hoek, zurreg dan maor voor een drôôgen broek als het regent vanuit het noordwesten dan is die regen vaak overvloedig en langdurig; De broek is nieuw 1. Gezegde als iets bijzonder goed geslaagd is 2. Gezegde als er een financiële meevaller is; Hij hessen broek flink opgehaold Hij is uit de financiele zorgen; Lucht op en treur niet, eebroek n wijen die scheur niet Maak plezier en zie de zonnige zijde van de zaak; Mette broek of Naar de WC om een grote boodschap te doen; Snoek, snoek, paeling ijje broek Werd door kinderen geroepen als iemand in het water was gevallen; Uitte broek gaon Naar de WC gaan voor een grote boodschap
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
broek , broek , 1. drassig land; 2. laag gelegen grond
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
broek , broek , (zelfstandig naamwoord) , brukien , broek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
broek , broek , brook , laaggelegen, vochtig weiland (ook: broekla(a)nd).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
broek , broek , brook , pantalon; an de broek, (van een kind) zindelijk; uut de broek moeten, behoefte doen; brook met botten, magere man.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
broek , [kloekhen] , broek , (vrouwelijk) , broeke , bruukske , 1. kloekhen, broedse kip 2. een nukkig iemand , Die broek haet eier.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
broek , brook , (onzijdig) , moerasland, broekland , Tösse Thoear en Kaesing liktj ’t Brook, ’t Vieverbrook.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Broek , Broek , toponiem , het Broek, Het Broek; vaak gebruikte naam voor een ven. Robben doelt waarschijnlijk op Het Broek dat zijn naam aan de wijk Broekhoven gegeven heeft .Cees Robben – Blauwslôôt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
broek , broek , zelfstandig naamwoord , bruukske , "1. broek (het kledingstuk); Van Delft - ""Beter de broek aan een wieg gescheurd, dan een oud wijf op bed gebeurd."" Gezegd tegen een man op leeftijd, die een nog jonge vrouw kiest. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929); In [een] bruukske van vruuger ha veul weg van innen envelop in vurfrontje mee in lèfke er aon, dè net zaat as in visje, en van aachteren de klep mee twee knupkes. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Van Beek - ""Bij broeken betalen geen doeken."" - Waar heren in 't gezelschap zijn, behoeven de dames niet te betalen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959); Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Waor broeke zèn, betaole gin doeke .Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Zwètsen èn in de broek schèète dè kunde zittende .Pierre van Beek: mar percies ónder èn boove de broek ötkoome - Klein zijn; (fig) nog niet mogen meepraten (Tilburgse Taaklplastiek 153); V - aachter de gebraajde broek krèùpe - naar bed gaan (achter de, vroeger vaak gebreide, broek van de vrouw gaan liggen; naar bed gaan); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in iemes zen hart begraove liggen as en boerekónt in en turkslèère broek (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - in iemands hart gesloten zijn; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): broek (blz. 17 en 155); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dès en stèèrk stuk in en kaoj broek ('41)- dat is kras, ongelooflik; Henk van Rijen: sebiet zak oe de broek es opdoen - ik zal je dadelijk eens onder handen nemen; Frans Verbunt: van dêen broek in daander - heel laat naar bed en vroeg op; Moeten poepen: Audioregistratie 1978 - Toen zèttenie [de pastoor] me daor in, in et kesjòt, daoraachter de kèrk, ik èn Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome nôot mir. Ènne… daor stonde en paor grôote volle maande vol leege wèènflèske, flèsse èn Damske èn ikke, jè, wij gingen es keure. Der zaat ooveral nòg zon dröpke in. En toen moes Sjefke öt de broek. Ik zèg: “Dè kunde hier! Der ligge strôojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte!” (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); Frans Verbunt: en pond broek èn en ons kont - een veel te grote broek; 2. andere betekenissen; WBD laaggelegen vochtige grond; WBD broek - achterste deel v.h. paard, ook genoemd 'aachterkaant', 'krös'; WBD broek - bil v.h. paard, ook 'bil' genoemd; WBD broek - achterhaam (deel v.h. tuig dat het paard op het achterdeel draagt); bruukske; verkleinwoord van 'broek', met umlaut; broekje; R.J. en bruukske meej en gòtje; Cees Robben – En ik strèèk m’n bruukske wir vors in de plooi. (19700116); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Wè zalt dun dur zen bruukske drèntele ('86)-Hij zal van angst diarree krijgen .Dirk Boutkan: (blz. 30) bruukske"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut