elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brik 

brik , [dartel, schuw] , brik , (bijvoeglijk naamwoord) , brat, hij kijkt zoo brik, zoo strak, daar keek mijn paard zoo brik op af. Kijk maar zoo brik niet, wees maar niet schuw of verlegen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
brik , brik , briksteen , gebakken steen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
brik , brik , schijf, in het damspel, en = steen in het dominospel. Ook Gron., en daar nog: de toetsen van een orgel. Kil. Hooft bricke, schijve = schijf; Oostfr. Neders. Deensch brik, brikke, Zw. brìcka = schijf van het dambord.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
brik , brikje , briktje, brik , schijfje van hout of bordpapier om welke men garen windt. Het meervoud luidt steeds brikjes, briktjes. Hiervan: brikjegoaren = garen dat om stukjes carton gewonden, in den handel voorkomt. Elders: een kaartje garen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brik , brik , meervoud brikken = schijven van het dambord; de steenen van het dominospel; de toetsen van een orgel of piano; op brikken speulen = briktjen = domineeren. Drentsch brik = schijf, en: steen; Kil. Hooft bricke = schijve; Oostfriesch, Nedersaksisch, Deensch brik, brikke = schijf, houten schijf; Zweedsch bricka = schijf van het dambord; Engelsch brick, Fransch brique = blokje, metselsteen = baksteen; Middel-Nederlandsch bricke = tichelsteen, brik (Verdam). Ald.: britse. Van Friesch briche, dialectische bijvorm van brique, schijf. Damschijf, gewoonlijk bric genoemd. Vgl. brikje of: briktje, en zie ook: brijten 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brik , brik , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie brit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brik , brik , (bijwoord) , Alleen in de uitdr. brik kijken, strak kijken (de Wormer). || Hij ken zo brik kijken. – Evenzo in de Beemster. || Hij kijkt zo brik. Daar keek mijn paard zo brik op af. Ook: Kijk maar zo brik niet (wees maar niet schuw of verlegen), BOUMAN 17. – In W.- Friesl. zegt men wat kijkt hij brik voor wat kijkt hij vergenoegd of vriendelijk. – Op Urk beduidt de locht stot (staat) brik: de lucht staat dreigend, er hangen donkere wolken, Taal- en Letterb. 6, 28. – In het Fri. is brîk een zeer gebruikelijk woord in de zin van verdraaid, misvormd, scheef, van personen en zaken; zie HALBERTSMA 512 vlg; O. Volkst. 2, 177. Vgl. ook Ohd. priek, vertrekking van het gelaat (GRAFF 3, 364; prieken machondo, ora torquendo).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brik , brik* , Engelsch brick, Fransch brique = blokje, metselsteen; vergel. brik(steen) bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
brik , [kind, kleuter] , brikken , Kinderen, kleuters.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
brik  , briek , gebakken steen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
brik , brik, brikke , 1. damschijf. 2. open vierwielig rijtuig. 3. vaartuig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
brik , brikkie , zelfstandig naamwoord ’t , Meevallertje, extraatje. Het woord is een afleiding van breken. Zie het N.E.W. waar onder brik 1. wordt vermeld: nu verouderd ‘brok van iets dat gebroken is, gruizel’, ook ‘geldstukken, geld’. Afleiding van breken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brik , brik , zelfstandig naamwoord , boerenwagen, geschikt voor diverse ladingen (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (VanVeen1989, p. 43). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
brik , brik , koets op 4 wielen met achteringang.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
brik , brikke , rijtuig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brik , brik , brikke , brikken , Ook brikke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = brik, wagentje Ze gingen met de brik op visite (Eel), Een lösse brik zonder kap (Sle), Een dekwagen mit een deure an de achterkaante, dat was een brikke (Zdw), De boer spande het pèerd veur de brikke en gonk er mit hen Möppelt (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brik , brik , brikke , brikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook brikke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = schijf bij dammen, sjoelen of molenspel, dominosteen De brikken van de sjoelbak waren vort (Eri), Bai het dammen binnen witte en zwaarte brikken (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brik , brik , brikke , brikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook brikke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = wrak Een brikke van een koe (Hgv), ... een huus (Die), Dat aol brik van een auto mus van de weg (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brik , brik , de , brikken , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = 1. soort schaap (Zuidwest-Drenthe) 2. horen van het Drentse schaap, stompje daarvan (Zuidoost-Drents zandgebied) Wij mist nog iene, dat schaop met die brikkies (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brik , brik , gesloten rijtuig met vier wielen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
brik , brik , puin
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brik , brik , brikke, brek , zelfstandig naamwoord , de 1. twee- of vierwielig open rijtuig 2. oud, slecht vervoermiddel 3. oud, slecht huis 4. oud, niet meer zo vitaal dier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brik , brik , brikske , rijtuig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
brik , brik , brikke , 1.sintels; 2. tweeassig voertuig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
brik , briek , zelfstandig naamwoord , mager paard (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
brik , brik , (mannelijk) , brikke , brikske , baksteen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
brik , brik , briek , brikke , brikske , steen; baksteen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut