elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bord

bord , [kist met schuifdeksel] , bred , (onzijdig) , [weinig gebruikelijk] kistje met schuifdeksel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bord , [diarree met braken] , bòrd , diarrhee met braken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bord , bret , brö̀t , bretter , achterstuk boven den wagen, dat tusschen de ladders geplaatst wordt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bord , bröd , (onzijdig) , he hef en bröd vör den kòp, hij heeft een hard hoofd. (Wintersw.)
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bord , bred , (onzijdig) , kistje met schuifdeksel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bord , bret , bred , bord, etensbord; presenteerblad; uithangbord; schoolbord; plank in eene kast; Wordt aan een boerenknecht gevraagd wat hij verdient, enz., dan kan het antwoord zijn: honderd vieftig gulden en goud wat op bret, dat is een goeden kost, vooral veel spek; ’t bretje omlangen = ’t blaadje met suikergebak, enz. presenteeren; meester schrift wat op ’t bret = op het bord; de kōffiepot stait op ’t onderste bret (in de kast); meester stait veur ’t bretje (of: bordje) = voor den lessenaar, in de kerk; theegoudsbret = toavelbret; blad van blik waarop de koffiepot met toebehooren wordt geplaatst, theeblad; schenkbret = schenkbord, presenteerblad. De dienstboden der boeren eten nog altijd van houten breden. – lelk bret (fig.) = mal schip = luimig, lastig vrouwmensch. Overijselsch bret, bord = uithangbord; Zuid-Holland borden = planken in eene kast; Nedersaksisch bret, Hoogduitsch Brett, Middel-Hoogduitsch brët, door metathese van: berd; Kil. bred (Germ. San. Sicamb.), berd, en: bord, in de beteekenis van: tafel, nog in: te berde, (Groningsch te borde) brengen. Meer voorbeelden van metathese bij Kil.: beterden, betreden; drost, dorst; druft, durft; bron, born; frist, virst (vorst); vorchten, vruchten; perse, presse; gars, gras; gasp, gaps, enz. Zie: bōlbret, en: schriefbret alsook bij v. Dale boord 2, en: bord. Meer voorbeelden van metathese: druppel, kerdiet, perfester, perfiet, persenten, perbijern, pelzijr, glup, dirtjen (Oostfriesch dritjen), lobse, weps, (berg van) Clavaria, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bord , bordje , voor: lessenaar in de kerk; de meester stait al veur ʼt bordje, zooveel als: de godsdienstoefening is reeds aangevangen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bord , bord , (zelfstandig naamwoord onzijdig (?)) , Last. Thans verouderd. || Van selve jaar had(d)e ick Westduyvelant-Coolsaat gekoght ... en ’t slo(e)gh uyten bort 44 menge(le) olye. Noch had(d)e ick Oosmeers van Claes Ayer, dat slo(e)gh 23 mengele oly, Journ. Caeskoper, 5 Juli 1671. – Vgl. Mnl. en Ned. Wdb. op borde, last, vracht, waaruit bord ongetwijfeld is afgekort; vgl. bood voor bode, koud voor koude, enz. Het is merkwaardig, dat borde dezelfde overdrachtelijke bet. heeft aangenomen als het synon. last. Elders is het in deze zin niet opgetekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bord , bord , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Nog bekend in de oude zin van planck; in verschillende samenst., als bedsbordje, kaasbord, laadgoedbord, schoorsteenbordje, slagbord, enz. Zegsw. ’t Gaat van het bovenste bordje (plankje); in verschillende opvattingen. Van ruzie. || ’t Gaat altijd van ’et bovenste bordje, ’t is er altijd ruzie (eigenl. de schotels worden van het bovenste bordje afgegooid; dat maakt het meeste lawaai). Van vloeken. || Toe maar, ’t gaat weer van ’t bovenste bordje. Eindelijk ook in de zin van royaal, verkwistend zijn; hetz. als van de hoge boom leven. De uitdr. is eveneens in het Stad-Fri. bekend. – Borden en zwichtborden noemt men ook de houten langs de molenroeden, die met harde wind worden weggenomen om de windvang te verminderen. Iedere wiek heeft er vijf, waarvan het uiterste endbord heet. || Met vier borden malen. Het waait hard, de molens hebben alle borden of. – Plank. || Verders in iedere kast te maken 4 borden van 23-streeps vurenhout, Hs. bestek (Wormerveer, midden 19de e.). – Over het afslaan van borden bij rouw, zie op rouwen. – Vgl. de samenst. aanplakbord, bedsbordje, endbord, hefbord, ijsbord, kaasbord, laadgoedbord, schoorsteenbordje, slagbord, smakbord, steenbord, spatbord, stukkebordje, treebord, uilebord, verhefbord, wasbord, waterbord, winkelbord, en zwichtbord.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bord , borde , (in: te borde), zie bret *. Ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bord , bret* , bred , zie ook schriefbret *; bret = plaat van ijzer of eenig ander metaal. Nederlandsch “boord” = plank in een kast enz. Het woord is in al zijne beteekenissen ook Geldersch; ook bred (meervoud breden), zie ook de aanteekening.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bord , breed , brejer , breedje , bred van een kar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bord , bröd , onzijdig , brötte , houten bord, schoolbord, kistje met schuifdeksel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bord , bord , te borde komen, ter tafel. Kom te borde, kom op (1897).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
bord , brùt , zelfstandig naamwoord , brùtte , brùtjen , houten bord. n brùt vuur n kop hebm, een harde kop hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bord , brét , schot brit achtersluitplank op een paardenkar.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bord , bred , houten schot
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bord , bord , zelfstandig naamwoord ’t , Bord; plank. Zegswijze an ’t bord staan, aangetekend staan op het bord aan of bij het gemeentehuis. – Mit ’n bord voor z’n kop loupe, kortzichtig, eigenwijs, hardleers zijn. – Te borde, verouderd voor te berde. Meervoud borde. Etensborden, in de zegswijze dubbel(d)e borde, maar gien ham, gezegd met betrekking tot lieden die zich rijker voordoen dan ze zijn. Verkleinvorm bordjes, in de zegswijze an de uithangende bordjes te zien, afgaande op datgene wat men aan de buitenkant kan waarnemen. | An de uithangende bordjes te zien, boere ze deer pittig. De hier bedoelde bordjes waren waarschijnlijk planken of plankjes waarop de koopwaar buiten werd uitgestald.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bord , britje , schotje óppe kroewage, kár of fietsekárke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
bord , bòrd , zelfstandig naamwoord , bord. Bòrd is de afkorting van Willebrord, de geloofsverkondiger die ook in onze contreien (Diessen-Alphen) werkzaam is geweest. Nog steeds worden mensen aangeduid met de naam van hun vader. Achter de vadernaam komt een s of een e: Jan van Tienuskes, Driek van Toone. Soms doet de grootvader ook nog mee. Het klassieke voorbeeld is Kees van Koob van Bòrdjes, dat is Kees van Gestel, de voormalige standaardrijder van het Gilde Sint Sebastiaan. Zijn vader heette Kobus, zijn grootvader Bòrd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bord , böd , bord. Fig.: ’n böd veur de kop = eigenwijs, ongevoelig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bord , bördtie , bordje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bord , bord , börd , borden , Ook börd (Zuidwest-Drenthe) = 1. (sier)bord van tin (bij rijke mensen) of van aardewerk Een börd op de schurstienmaantel (Hav), zie ook teller, schöttel 2. plank, kastplank Hij hef een bord veur de kop as een voeste dikke (Hol) 3. ijsschol (Scho) Borden trappen, daor kuj natte vute bij halen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bord , bred , bröd , bredden, breden, bree , Ook bröd (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = bred, plank De koe wil kalven, wij moet het bred er achter doen (Sti), Het bred van de wupkar is niet zo best meer voor- of achterschot (Eex), Op het iergat lag bij oos een holten bred (Bei), Ik wol nog geern een bred in de kelder hebben voorraadplank (Row), Der möt nog een brödtien op de inmaakpot (Die), Het bred op schörstien schoorsteenkap op vier pootjes, ... op de kookkachel ijzeren plaat met handvat, ... van de kaor opstaande rand (Sle), Zet het koppie maor op het bred theeblad (Erf), Het bredken van de pietreulielampe blaker (Bco), De meester schreef de zinnen op het bröd bord (Pdh), Hij stun achter het brödtien in de karke lessenaar (Zdw), Hie hef een bred veur de kop plank (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bord , bùrd , etensbord, ge it diejen bùrd leeg!, je moet dat bord leegeten. zie ook telder.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bord , bret , losse plank, voor op de kruiwagen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bord , böd , bord
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bord , brettien , zie zinkien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bord , bred , zelfstandig naamwoord , et 1. lett. bord, in verb.: Hi’j het een bred veur de kop hij heeft een bord voor z’n kop, hem ontgaat ongeveer alles 2. onderzetter (voor pannen e.d. op een tafel) 3. plankje op de gereedschapskist op een boerenwagen, om op te zitten, deksel van een wagenkist waar men op zat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bord , bod , zelfstandig naamwoord , et 1. bord om uit te eten 2. broodplank, verder in verb. als te bodde te berde, ter sprake, op ’e bodden op de agenda van de vergadering, ter sprake 3. hetz. als taofelbod 4. hetz. als schostien-, maantelbod 5. schuine plank aan het eind van een mi’jmesienemes 6. schildvormige afdekking aan de voorkant van een draaiende hark in een ouderwetse hooimachine 7. plank in bep. vorm waarop personen of paarden lopen om wegzakken te voorkomen, ook aan de pols(en) van de turfmaker met hetz. doel 8. plaat, plankje e.d. aan een muur, aan een paal enz. waarop aanwijzingen staan, waarop informatie te lezen is, uithangbord, naambord e.d. 9. schoolbord 10. verkeersbord 11. schaakbord, dambord, ganzenbord e.d. 12. in veur et bottien kommen naar voren (moeten) komen om iets naar voren te brengen, vooral: om vragen te beantwoorden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bord , borrechie , zelfstandig naamwoord , borrechies , etensbordje Een bord is nog gêên borrechie en ’t is ôk gêên schutteltie, want dan spreeke me van ‘kom en bak’ Een bord is nog geen etensbordje en het is ook geen schoteltje, want dan praten we van ‘kom en bak’
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bord , borde , uitdrukking , Voor d’n borde komme Ergens voor uitkomen Het kwam voor d’n borde De aap kwam uit de mouw
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bord , bret , losse plank
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bord , börd , (zelfstandig naamwoord) , börtien , bord. Zie ook: telder (verouderd).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bord , burd , bord
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bord , borreke , bordje
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
bord , [plank] , bret , wagenplank.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bord , berd , bred, bröd, burd , zelfstandig naamwoord , plank, zijschot (Helmond en Peelland); bred; plank, opzetstuk (Land van Cuijk); bröd; plank, zijschot (Helmond en Peelland); burd; eetbord (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bord , bord , (onzijdig) , borde , bördje , bord
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bord , breet , (onzijdig) , brejer , breetje , plank, schot , Inne kroeatetied zatte de boere ei paar extra brejer oppe ker.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bord , burd , bèrd, bòrd , zelfstandig naamwoord , bòrdeke, bòrdje, bördje , bord; Van Rijen (1998): zijschot v.e. kruiwagen; WBD (II:2802) 'aachterburt' - sluitplank aan achterzijde v.e. karbak; bòrdekes; van ‘bòrd’; bordjes; Cees Robben – Ze roemen de bordekes snert meej d’n hiel... (19570921); bördje; verkleinwoord; bordje, schoteltje; WBD (III.2.1:188) 'bordje' = schoteltje; van ‘bòrd’; bordjes; Cees Robben – Ze roemen de bordekes snert meej d’n hiel... (19570921); bèrd; plank (schot) van een kruiwagen; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - BERD, bèt - plank; WNT BERD, daarnaast ook wel BARD, mv. berderen en berders (Vlaams: berdels); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BERD (Kemp. ook bäd) zelfst. nw. o., mrv. berden, berder en berderen - plank, bord, Fr. planche; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BERD in de bet. van 'bord '(tabula, asser); z.a .K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - BURDEN: de zijplanken op de zijde van ene kar. Van 'berd', een plank. Men zegt zowel Berrie als Burrie.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bord , brit , britte , britje , schot voor kar of wagen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut