elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: branden

branden , brannen , (zwak werkwoord) , branden, ’t brent daor, daar is brand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
branden , brannen , brann’ , branden. Uitlating der d. Ook West-Vlaamsch
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
branden , branden , (zwak werkwoord) , zie zegsw. op water en vgl. aanbranden. Zie verder op barnen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
branden , barnen , (zwak werkwoord) , Branden. Niet meer algemeen. || Wat barnt ’et fel. Kijk ’et ers barnen. – de nu ongebruikelijke gebiedende wijs was nog in de vorige eeuw bekend. || Barren dij niet, brand u niet, Hs. Kool. – De meest voorkomende vorm is het deelw. barnde, brandende. vandaar barnde man, St. Elmusvuur. || Daar gaat ’en barne man (als zich St. Elmusvuurop de mst of elders vertoont). – Het Barnde gat, een vroegere inham van het IJ tussen O. Zaandam en Oostzaanden. || Het Barnegat, LAMS 707 (a° 1627). De sluis daarbij heet Barnegatsluis. Evenzo heet een onstuimig water bij Oudkarspel de Barnde Wiel, Kaart v. d. Uytw. Sl. 10. – De Barnde laan, een stuk land te Krommenie op de Vlus. || Die barnde laen, Hs. U. 138, f° 16 r° (a° 1614), prov. archief. De barrende laan, Polderl. Kromm. (a° 1680), f° 10. Vgl. laan I. – De Barnde bok, oliemolen te Jisp, in 1821 afgebrand; de naam is echter ouder. – De Barnde molen, molen benoorden Jisp aan het einde van de Broedijk. Op de Kaart v. d. Uytw. Sl. 11 heet hij Brande molen. Vgl. ook de Barnde steeg te Amsterdam. – zie verder FRANCK en Mnl. Wdb. op barnen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
branden , börre , branden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
branden , braann , werkwoord, zwak , 1 branden, 2 scherp smaken, schrijnen, 3 blussen, van kalk. t Braant um net vuur t gat of, hij heeft het er net afgebracht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
branden , bórre , branden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
branden , braan , braan, ebraand , branden; * d’r op braan: heftig tekeer gaan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
branden , branden , braanden , Ook braanden (Zuidwest-Drenthe, af en toe ook elders, dan meestal naast branden) = 1. branden Barkenholt wil best braanden (Bro), Wij gaot hen paosvuur branden (Sle), ’s Meitieds gaot de boeren hen braanden slootkanten etc. uitbranden (Ruw), De ogen brandt mie in de kop (Bov), Hij hef zich an de kachel brand (Coe), Vrogger gungen ze hen vene braanden veenbranden voor boekweitverbouw (Eli), Het braandt as spek (Pdh), ... een lier (Bov), ... een fakkel (Dwi), ... zwevel (Hgv), Het braandt hum niet op de naogel hij kan zich goed redden (Row), Het braandt mie ik erger mij (Erf), Het braandt niet heeft geen haast (Erf), Braan je der mor niet an doe er niet aan mee, blijf er af (Gro), Het braandt mij op de tonge (Hav), Bi’j bange um oe an kold water te braanden? (Hol), De centen braandden hum in de buse (Vle) 2. haren afbranden (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Dat zwien, dat mot brand worden (Klv) 3. schieten De jaegers braandt er op lös (Dwi), Brand hum der maor aine op (Eco) 4. steken (Zuidoost-Drents zandgebied) Een hummel kan je lelijk even branden (Bor) *As alles braandt, braandt water ook (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
branden , brannen , branen , (Kampen) branden. Ook: branen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
branden , brannen , branden: het bij een temperatuur van 9000 °C in een oven vasthechten van grondlaag en kleurlaag emaille op het ijzeren voorwerp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
branden , brande , branden , Héij kèkt of’fie wéijwôtter zie brande. Hij kijkt of hij wijwater ziet branden. Zeer verbaasd kijken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
branden , branen , werkwoord , 1. branden, ook: door branden of hittebewerking anderszins doen ontstaan, met vuur of hitte anderszins bewerken 2. zich verwonden, zich bezeren door met een hittebron e.d. in aanraking te komen 3. gloeien, zeer heet zijn 4. hitte afgeven, een brandend of branderig gevoel geven 5. brandmerken 6. (vaak in ontkenningen) zeer vlot moeten gebeuren, bijv. Doe mar rustig an, et braant toch niet, wel? 7. intensief schieten 8. hard schieten bij bijv. een sport als voetbal, zich fanatiek inzetten bij een sport 9. losbarsten, stevig optreden met woorden: in een gesprek, een vergadering e.d., in d’r in branen (ook wel aaneen) 10. als lichtbron, lamp(en) werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
branden , brande , uitdrukking , ’t Is hange of brande Het loopt niet goed af zonder risico’s te nemen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
branden , brààne , branden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
branden , brannen , (werkwoord) , brannen, ebrand , branden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
branden , branje , brantj, brandje, gebrandj , branden , Branje wie ein hèl. ’t Brantj neet: je hoeft je niet te haasten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
branden , braande , zwak werkwoord , braande - braandde - gebraand , branden; Cees Robben: As en aaw schuur begient te braande, dan hèlpt er gin blusse mir aon .Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as en aaw schuur begient te braande, dan isser gin blusse mir aon ('77); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as en aaw schuur in braand vliegt, dan is ze niemir te blusse ('50) - Als een oud iemand verliefd wordt, loopt die hard van stapel. Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et dunste tèkske braandt et irst (Pierre van Beek: TT’72); WBD braande (II:1056) - branden (nabewerking weefsel); Henk van Rijen: kròm hout braandt ok - het goedkopere is vaak even goed .WBD III.2.2:108 'gebrand' = geil, wellustig? 109 = manziek; 110= vrouwziek
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
branden , börre , börde – gebörd , branden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut