elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: botsen 

botsen , botsen , (zwak werkwoord) , stooten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
botsen , bossen , (bòssə) , (zwak werkwoord, transitief) , Voortstoten; van knikkers of kralen, die men in een kuiltje schiet. Synon. goezen, goffen; zie aldaar. || Jongens, willen we bossen? Ik heb al vijf kralen in de koelk ’ebost. – Het woord was vroeger in ruimere opvatting bekend. || De Hollanders ... sochten met alle mogelijcke middelen, soo de Vriesen, als die van de Anze-steden, uyt ’et voer-water te bossen, SOETEBOOM, Stavoren 246. – In het Stad-Fri. betekent bossen met noten of bakkerts (grote knikkers) schieten (O. Volkst. 2, 177). Vgl. KIL. bossen, botsen, pulsare, tundere, quassare.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
botsen  , boetse , schokken. Et hert boets um in et lief, zijn hart bonst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
botsen , boetse , botsen, stoten Hédde ow köpke geboetst, prulleke? Heb je je hoofdje gestoten, liefje?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
botsen , boetse , het hoofd stoten (kinderwoord).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
botsen , boetse , botse.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
botsen , bossen , bostern, botsen , Ook bostern (Zuidoost-Drents veengebied), botsen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) = voor- en achterover bewegen, bijv. om op een stoel een kind in slaap te wiegen Dou mij het kind maor even an, ik zal het wel even in slaop bossen (Vri), Mit de kienderwagen, daor wörde ook mit hen en weer ebost (Hav), zie ook hossebossen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
botsen , botsen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. botsen Ze botsten met de fietsen tegen mekaar op (Hijk), Ze hadden een andere meining; dat mus wel botsen (Erf) 2. stoten (Zuidoost-Drents zandgebied) Moej die schaop ies zien botsen (Exl), Sik, bots als je dat een paar keer tegen een geit zei, ging deze op zijn achterpoten staan en wilde stoten (Sle) 3. kloppen, bonzen Het botst mij in de kop bij hoofdpijn (Sle) 4. redetwisten (Kop van Drenthe) Ze zaten wat tegen ’n kannerk an te botsen (Row) 5. knikkeren (Zuidwest-Drenthe, noord) Ie botsten maor raek en verleuren het hiele spul (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
botsen , boetsen , stoten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
botsen , botsen , werkwoord , 1. met een schok tegen iets klappen 2. in conflict komen 3. op/tegen elkaar doen klappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
botsen , boetse , stoten , hij boetste mi zunne kop tegen ’t vèèrekesdurke = hij stootte met z’n hoofd tegen het deurtje van de varkenskooi-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
botsen , botsen , heen en weer schommelen op een stoel met een klein kind om het in slaap te krijgen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
botsen , boetse , werkwoord , stoten (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut