elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: borstelen 

borstelen , [werken, inspannen] , borseln , werken, hard loopen, zich tot het uiterste inspannen; “tien menuten hà w’e borsteld” (den haas vervolgd). Gron. d’r tegen bosseln = er tegen werken zijn best doen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
borstelen , bossêln , borzêln , borstelen, schuieren; fig. hij mout ’r tegen bosseln = er tegen werken, al zijne krachten inspannen; ook Drentsch; hij ken d’r nijt tegen opbosseln = hij moet den strijd verliezen; oet de loog bosseld wezen = goed gereinigd en gekleed zijn, netjes voor den dag komen; ook: uit den brand, uit de verlegenheid zijn. Oostfriesch uut de loge bösseln = ter dege schoonmaken. (v. Dale: iemand uit de loog borstelen = hem in een nieuw pak kleeren steken.) In de beide eerste voorbeelden moet aan het Middel-Hoogduitsche bôzen = slaan, kloppen, Hoogduitsch boszeln, bosseln, gedacht worden. Vgl. het Nederlandsche botsen, en: bots = stoot, slag.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
borstelen  , börstele , hard werken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
borstelen , bùsln , werkwoord, zwak , borstelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
borstelen , borsele , borstelen D’n hond borsele De hond borstelen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
borstelen , bösselen , 1. hard werken. 2. borstelen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
borstelen , bösselen , bösselen, ebösseld , 1. veel werk verzetten; 2. borstelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
borstelen , bösseln , bosseln, borseln , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, rekking in Kop van Drenthe, Veenkoloniën). Ook bosseln of borseln (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe met rekking) = 1. borstelen In het veurjaor hew ’t drok, de hele stal mot dan bösseld worden (Hijk) 2. hard werken De tweide zèende mus er tegen bösseln um weer bij de eerste te kommen (Pdh), Hij mut er aordig tegen borseln umme mit te komen (Hgv) 3. harrewarren (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) As ze tegen mekaar bösselt, zint ze beide stiekelig (Sle), Zie lagen aal tegen mekaor an te bösseln (Eex), Dat wicht bösselt altied tegen ligt dwars (Hijk) 4. hard lopen (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Dei jong is mie der tussenuutbösseld (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
borstelen , bösseln , worstelen, te stellen hebben. Wie haddn der heel wat mee te bösseln. um dât zwaore dink de trappe op te kriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
borstelen , bosselen , werkwoord , 1. borstelen, schuieren 2. hard werken, bijv. in Dat warkien mos hi’j aorig tegen bosselen om et klaor te kriegen hij moest zich flink inspannen om het klaar te krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
borstelen , borsele , boorstele , borstelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
borstelen , bôrsele , vechten, borstelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
borstelen , beustele , beusteltj, beusteldje, gebeusteldj , 1. borstelen 2. iemand een pak rammel geven , Lang haor mós se good beustele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
borstelen , bòrsele , zwak werkwoord , bòrsele - bòrselde - gebòrseld , borstelen; Cees Robben: Goed gebòrseld is half gevoejerd .WBD bòrsele (II:1056) - borstelen (nabewerking weefsel); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BÖ(R)STELEN - vechten: ze begosten te bö(r)stelen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
borstelen , börstele , börstelde – gebörsteld , borstelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut