elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: borst 

borst , borst , voor berst, ook borsten voor bersten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
borst , bòrste , bòste , (vrouwelijk) , borst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
borst , borsie , (van Ankum) = jak, kort vrouwenkleed.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
borst , borst , bort , (bòrst; vroeger bòrt) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De oude uitspr. bort met uitval van s tussen r en t was nog in het begin dezer eeuw in gebruik; zie Karaktersch. 331. Vgl. ook BERKHEY, Nat. Hist. 3, 194: De Jakken die zy (de Zaanse vrouwen) dragen, en welke zy Borstjes of Bortjes noemen, staan glad en plat over ’t Keurslijf gespannen. – In de zin van vrouwenborst (mamma) is het woord steeds onzijdig. || Wat is dat borst ontstoken. ’t Linkerborst moet of’ezet worden. In ’et iene borst heb ze gien zog. – Doch men spreekt van de borst geven. In de andere betekenissen is borst vrouwelijk. Dit onzijdig geslacht van borst was vroeger ook elders in N.- Holl. gebruikelijk; vgl. HOOFT Ged. (ed. LEENDERTZ) I, 237: “(De) lekkernije, die dat borst der Poësie Hujghens vlieten laet voor zògh.” Ook in het Ofri. en Ags. is het woord onzijdig – Vgl. zegsw. op kruis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
borst  , bors , börsje , borst, Hae haet et op et börsje, hij is verkouden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
borst , biöst , vrouwelijk , biöste , biöstien , a. borst; Het op de biöst hebben: borstaandoeningen hebben.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
borst , boas , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bùeze , bùesken , zwezerik
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
borst , borst , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de borst smere (zalve), een stevig borreltje drinken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
borst , böste , borst.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
borst , böste , borst.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
borst , börst , borst , börsten , Ook borst (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) = 1. borst Van kappen en körsten kriej dikke börsten (Gas), Hai greep hom bai de borst (Row), Zij hef het kind an de borst (Bco), Dat stuit mij tegen de börst (Die), Daor gonk vanmorgen een heer mit een witte borst en stevels an ... naor de laanden ien heer met overhemd (Rui), Hij het leiver een waarme borst as een kold kwaartie (Row), Hij stak de börst nog al wat veuroet had verbeelding (Ros), Ie kriegt de börst der tegen toe je krijgt er genoeg van, wordt er moedeloos van (Bei), Hest dörste, kom an de börste (Bal), Maak de börst maor bloot zet je schrap (Bor), Hij zet nogal wat börst op is een opschepper (Dwi), Hij zunk uut volle borst (Dwij) Börsten as körsten en tepels as vlooienbeten van een vrouw, die nauwelijks of geen borsten heeft (Dwi), Die het te laank an de börst zeten is kinderachtig gebleven (Erf), Hij hef een dikke borst is dronken (Mep), (veend.) Zoveul klem veur de börst hebben de hoeveelheid veen, waar de graver voor staat en die hij in één keer meeneemt Hie kun zeuven klem veur de börst hebben; dat is bij het törfgraven een koel van zeuven klemmen en dat was het hoogste, wat er graven kun worden, want dan stunden ie al arg diepe in de koele (Geb), Zo hoge as de borst was zaten er zeuven klem törf (Pes), zie ook klem 2. ademhalingsorganen Die jong hef zo’n slechte börst, mor hie rookt ok sigaren of het niks is (Sle), Hij hef het aordig op de börst (Hijk) 3. borstzeel As het peerd niets vurtgunk, dan trök e deur de borst hen (Ruw) 4. deel van wielspaak An spieken mussen ze een börst veurzagen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
borst , böst , borst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
borst , bors , borst. Veur mensn met ’n slechte bors is ’t veurjaor gevaorlek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
borst , bost , zelfstandig naamwoord , mannelijke persoon, bijv. in een braove bost
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
borst , bost , boste , zelfstandig naamwoord , de 1. borst: bekend lichaamsdeel bij mens en dier 2. borstdeel van een geslacht dier 3. de luchtwegen in iemands borst 4. vrouwenborst, tiet 5. borstgedeelte van een kledingstuk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
borst , borst , zelfstandig naamwoord , borste , borssie , borstgareel (paardentuig)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
borst , börste , (zelfstandig naamwoord) , borst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
borst , bors , borste , börske , borst
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut