elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boomkruiper 

boomkruiper  , boumkruuperke , kleine vogel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
boomkruiper , boomkrüppertien , onzijdig , boomklever (vogel)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boomkruiper , boomkruper , booklopertien , boomkrupers , Ook booklopertien (Zuidoost-Drents zandgebied) = vogeltje, Certhia brachydactula De boomkruperies bint slim reur um het leven van de bomen of te haolen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boomkruiper , boomkroepertien , boomkrupertien , (Kampen) boomkruiper. Ook: boomkrupertien (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
boomkruiper , boomkroeper , zelfstandig naamwoord , de 1. boomkruiper 2. koolmees
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut