elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonzen 

bonzen  , boense , bonzen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bonzen , bongsen , bonzen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bonzen , bonzen , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook rekking (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bonzen Op de deure bonzen (Vtm), Dat gebam mit dat heien bonst oe deur de hoed hen (Pes), Ik krege der hartklöppings van, het harte bonste mij in de hoed (Koe), zie ook bomsen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonzen , boonzen , boonsen , werkwoord , 1. tegen elkaar klappen, kloppen op 2. onstuimig kloppen, jagen 3. hetz. als ofkloppen, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonzen , boengse , bangse , werkwoord , bonzen (West-Brabant); bangse; botsen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bonzen , boenze , bonzen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut