elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bombarie 

bombarie , bombarie , geweld. Hij maakt veel bombarie, veel leven en gedruisch. Altemaal larie en bombarie, veel geschreeuw maar weinig wol, leege vaten bommen het meest.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bombarie , bōmbarie , (Auwen) = getier, opschudding. (v. Dale: bombarie (volkstaal), beweging, beslag, getier, opschudding.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bombarie  , bômbarie , lawaai.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bombarie , bombarie , boembarie , Ook boembarie (Zuidoost-Drents zandgebied) = bombarie Zij maakt een hieleboel bombarie, zodaj der niet van slaopen kunden (Ruw), Met een hoop boembarie kwam e de trap of (Bui), Bombarie, mar weinig deegs (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bombarie , bómbarie , (mannelijk) , drukte , Maak neet zoeaväöl bómbarie óm niks!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut