elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bol

bol , [onkruid] , bol , onkruid in het koorn.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bol , bollen , bol , stuk, brok.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
bol , bol , bolle , houten drinknap, nap om karnemelk uit een vat te scheppen. (De o trekt naar de HD. ö, nog meer naar oa.) Vergel. ’t Eng. bowl.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bol , bölle , kort van staart; ook = kleine schooven. bolstarten; wortelen die kort en dik zijn; ook Gron. Zie: böld.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bol , bol , ballon, eener lamp; de bol van de lamp is scheurd; wie mouten ʼn neie bol op onze lamp hebben.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bol , bol , bolle , een tarwebrood van ronden vorm; men koopt bv. ʼn dubbeltjes bol (Stad-Groningsch) Verkleinwoord bollechie, en: bolje. Te Niezijl, enz. bolje = stoetje (zie: stoet) van onderscheidene gedaante en grootte. Zie ook: krintebol, en vgl. ʼt Friesche bollemand, ʼt Groningsche stoetkörf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bol , bol , (bòl) , (bijvoeglijk naamwoord) , Week, slap. Vgl. Ned. Wdb. III, 293. – Van grond. Week. || Dat land is zoo bol; de koeien zakken er met ’er pooten deur. Hoe dat de Landen ... in de Bannen van Westzaanden ... seer laegh, bol, ende week van grond ... zijn, Priv. v. Westz. 121 (a° 1577). Die bolle, lichte, ende weecke kanten vande smalle Weeren ende Ackeren, ald. 122. Vgl. Bollerd. – Van turf. Bolle turf, losse onvaste lange turf. || Geef maar wat bolle turf, dan zel ik de kachel wel weer an de gang brengen. – Van ijs. Week van oppervlakte ten gevolge van dooi. || Je had geen scherpe schaatsen noodig, de zon maakte ’et ijs bol. We konnen temet niet vooruit kommen, zoo bol was ’et ijs. Was heen moy rije, doordient snaghts een wijnigh had gevrooren, dogh op de wederkomst wast ijs bol door doyen, Journ. Caeskoper, 24 Febr. 1684.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bol , bol , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Verkl. boltje. Zie de wdbb. Ook in de volgende opvattingen. – 1) Wittebrood. Niet alleen cirkelvormige, van onderen afgeplatte ronde broden, maar ook wittebroden van langwerpige gedaante. Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl.; vgl. Ned. Wdb. III, 285. Men onderscheidt naar vorm en bestanddelen knipbollen, krentebollen, pannebollen, plaatbollen, stroopbollen en trommelbollen; zie die woorden. || (Rondbrood:) Op Looielak mag-je zoveul warme bollen eten, as je wille (wilt). – (Langwerpig brood:) As de bakker komt, neem dan ’en bol van negen centen. Je hebbe vanmorgen ’en oudbakken Ceresbol (brood uit de fabriek Ceres) ’ebrocht. Ik wil de punt van de bol wel opeten. Wat ’en schrokerig boltje. – In verkl. ook snee brood, stuk wittebrood, boterham. || Een schootje had vroeger acht boltjes, maar nou tien. Ik lust nog wel ’en boltje. We zellen vanmiddag maar wat boltjes bakken (wentelteefjes bakken). We gane nou een boltje met garreneel klaar make en den (dan) an de schaft, Sch. t. W. 279. – Suikerde bollen zijn sneden brood met muisjes van suiker bestrooid, die ter ere van een jonggeborene worden genuttigd. – Te Krommenie heeft men op Luilak grove (van grof meel) en fijne bollen. Vgl. ook een schootje grove bollen op schoot II. – Vgl. melkbol en waterbol. 2) In een pelmolen. Het onmiddellijk onder de steen gelegen, gladde gedeelte van het steenspil, waarlangs de neuten draaien. 3) In een pelmolen. De schijven, waarover de snaar (drijftouw) van de waaierij loopt. De bol bestaat uit 3 schijven van verschillende grootte vóór elkaar, waartussen dus twee klossen zijn. De snaar wordt, al naar de spanning meer of minder moet zijn, over de een of andere klos gelegd. Meestal is de bol met bontgekleurde wolkjes beschilderd. 4) Bij de visserij. De ronde, platte kurken aan een schakelnet. || Der moeten nog bollen an’emaakt worden. 5) Zegsw. Voor de bollen lopen, er duchtig van langs krijgen. Thans verouderd. Misschien is met bol hier bedoeld de bal van enig werpspel, die men op onzachte wijze tegen het hoofd of op de voeten kon krijgen, indien men er vóór liep. || (Wy) sullen dit niet alleen kortelijk overloopen, maer ook aentrekken hoe den Oversten Wrangel ... voor de bollen geloopen heeft, SOETEBOOM, Ned. Schout. 622. By Brussel settense verscheyden Dorpen in brandt, tot datter over al beter sorge by de besmettingen over gedragen wierdt, en van de Spaense zijde sy menigmaal lustigh voor de bollen liepen, doodt geslagen of gevangen zijn geworden, ald. 644. Hoe wel de Fransen eerst selver niet weynigh voor de bollen liepen, ald. 727. – Vgl. Fri. voor de ballen stean, of foar de ballen opkomme, opdraye, aan het gevaar blootgesteld zijn. – Vgl. verder HOL OVER BOL op hol I, HOLTJE OF BOLTJE op hol I, en breedbol, hanehuinebollen, huinebollen, kaasbolletje, knorsebol, Kuibol, Kuigbol, pruikebol, rollebol, Ruigbol, spinbol, stortebol, witbol en stutelebollen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bol , bollĕ , houten drinknap.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bol , bol , baol  , böl , bölke , bol (tegenstelling van hol). Baole wind, bolle wind.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bol , bol , bol hier - bol daor: nu hier, dan daar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bol , bòl , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rond, bol
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bol , bòl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bùlle , bùlken , stuk, gedeelte. An bùlle, kapot; an twee bùlle, in tweeën, doot’r nen bòl of, doe er een stuk af
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bol , bol , gek worden ’t Is ’m in zienen bol geslaoge Hij is gek geworden; In d’n bol slaon gek, krankzinnig worden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bol , böl , borsten Ze haj me toch ’n par böl Ze had een paar grote borsten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bol , bol , zelfstandig naamwoord de , Wittebroodje, groot soort kadet, vaak voor een apart doel gebakken. Vgl. Fries bôlle. De ‘bolle’ werden warm gebracht en meestal gegeten met warme stroop en boter. Ze werden vooral geserveerd tijdens een begrafenismaal of tijdens de schoonmaak. Men onderscheidde naar vorm en bestanddelen o.a. knipbolle, krentebolle, pannebolle, plaatbolle, stroupbolle en trommelbolle. Meervoud bolle, in de zegswijze om de warme bolle moete, naar een begrafenis moeten. Voorheen werden tijdens het begrafenismaal warme bollen geserveerd. – Ze loit de beste bolle voor ’t venster. 1. Ze heeft wel volle, bolle wangen, maar overigens is ze schraal. 2. Ze is zodanig gekleed, dat haar borsten goed opvallen. 3. Ze doet zich mooier voor dan ze in werkelijkheid is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bol , bol , bijvoeglijk naamwoord , Ook: 1. Vochtig-warm, broeierig. | ’t Is bol weer. 2. Zacht, oudbakken. | Die koekies benne bol. 3. Week, koekerig. | ’t Ois wordt bol. 4. Slap, drassig. | ’t Is van dat bolle land. 5. Gek, halfzacht. | Doen toch niet zô bol. Vgl. Fries bol. Zie voor de etymologie van ‘bol’ het N.E.W. onder bol 3.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bol , bolle , bol.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bol , bollen , bollen van bloemen en planten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bol , bolle , bol , bollen , böllegie , bol; bloembollen; d’r een bol ofzaeng: de bloemetjes buiten zetten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bol , bòl , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , bol De bodem stiet hielmaol bol (Sle), Wat zit die plooien der mooi bol in van een kanten muts (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bol , bòl , de , bòllen , spit aarde, veen etc. De potstalmest weur in mooie veerkante bollen op het laand bracht (Eex), Hij smeet dei dikke bollen bolster achteroet of het niks was (Bov), Wij zeden bonken, mar as der nog een streepien bolster zat, neumde wij dat bol ofgooien. Dat gebeurde veur de graver an (Ndo), ook Bol ofgooien het verwijderen van kruim, dat na het bonken op het veen is blijven liggen (Zuidoost-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bol , bòl , bolle, bölle , bòllen , Ook bolle (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), bölle (Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 4.) = 1. bolvormig voorwerp Hoeveul bol undermelk möt er in veur de zwienen houten nap (Sle), Wij muggen de laampe niet laoten walmen, anders wurde de bolle zwart (Hgv), De bol van de laamp was vuld met pietereulie (Bor), Ik heb een barst in de bol van de lamp ballon (Sti), De bollen meut de grond in bloembol (Bov), De katte speulde mit een bolle gaoren (Eco), Wij moeten daor een nei bollegie indrèeien lamp (Klv), Een bolle grond aan de wortels van een bossie kluit (Erf), Ik heb bollen under de klompen klonten sneeuw (Gie), Det gaf ... tweihonderd gulden zo in de bolle van de hand holte (ui) 2. hoofd Zien bol is best hij heeft een goed verstand (Die) 3. garf van boekweit of haver (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Haver en boekweit bunden de boeren in bollegies; veur bossen was het stro te kurt (Bei), Geeft de kiepen nog even een bollegie zaod (Hol) 4. rond brood(je), overlangs ingeknipt brood De Zuudlaorder bol (Zui), Een bolle was een witbrood (Vle) 5. soort schip (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een praom was rond van onder en een bolle was plat (Ros), zie ook bolpraom 6. dikke stok bij het tiepelspel (Zuidwest-Drenthe, zuid) ‘De pinke werd met een bolle weggeslagen’ (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bol , bolle , bol. De zunne is ’n gluujnde bolle.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bol , bölleke , hoofdje , Boetst'tew bölleke nie, zin ze teege de ménnekes die bekant èrges teegenôn liepe. Stoot je hoofdje niet, zei men tegen de kinderen die bijna ergens tegenaan liepen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bol , bollen , meervoud , bep. gehakt hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bol , bolle , zelfstandig naamwoord , de; 1. uitgezakt stuk grond, uitstulping in een boswal of aan de kant van een sloot 2. streep van waarachter men bij het knikkeren moest werpen naar de knikkerpot; verkl. bollegien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bol , bolle , bolle-, baole, baole- , zelfstandig naamwoord , de 1. bol, brood (meestal witbrood) 2. bolvormig deel van een plant onder de grond, vooral: bloembol, maar ook van andere planten 3. bolvormig deel van een hoed of muts; verkl. bollegien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bol , bol , zelfstandig naamwoord , de 1. bol, balvormig lichaam 2. bol garen 3. bal bij bep. spelen 4. (jagersjargon) in over de bol ondersteboven (geslagen) door een raak schot; verkl. bollegien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bol , bol , bijvoeglijk naamwoord , 1. (van de wind) zacht, dicht, constant 2. enigszins rond, opgezet, gerond, bijv. bolle wangen 3. in bol uut de ogen kieken uit bolle ogen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bol , bolle , (zelfstandig naamwoord) , böllegien , (vkw. böllegien), bol. Een böllegien kan ook een broodje zijn.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bol , bol , bùlleke , bal, bol , Gojt diejen bol is no mén. Gooi die bal eens naar mij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bol , bol , bolle , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. zacht; 2. van wind: aangenaam warm, vol en zacht
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bol , bölleke , zelfstandig naamwoord , hoofdje (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bol , bol , (mannelijk) , böl , bölke , 1. bol 2. hoofd 3. ballen , De sjöt haaj ’t lèste bölke gemisj oppen Aoje Limburger. Kerstböl inne boum hange.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bol , baol , bol (-staan)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
bol , ból , böl , bölke , bol
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut