elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boffen 

boffen , boffen , (intransitief werkwoord) , koop breken, weigeren zijn bod gestand te doen. Hij boft, het is een koopman bof, hij geeft rouwkoop. Men wil dat hier vroeger in geval van boffing, den schuldigen werd opgelegd tot straf, met zijn achterste tegen den schandpaal te staan en tot drie malen toe daar tegenaan te boffen, telkens overluid roepende: ik bof.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
boffen , bōffen , een gelukje hebben; hij bōft altied = ’t geluk dient hem steeds.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boffen , boffen , (bòffə) , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Bonzen. || Hij bofte met zijn hoofd tegen de deur. – Vgl. bofkonten. 2) Afzien van een koop, een koop breken. Ieder die iets had gekocht of verkocht, gehuurd of verhuurd, had het recht binnen drie dagen de overeenkomst te vernietigen. Volgens overlevering moest de bewuste persoon dan op de stoep van het raadhuis driemaal zeggen:Ik bof, terwijl hij met zijn achterste tegen de deur bofte (bonsde). Het woord is tegelijk met het boffen in onbruik geraakt. – Ook elders in N.-Holl., doch aan de Zaan alleen te Assendelft bekend. Vgl. Ned. Wdb. III, 248. || Soo wie hem selven beswaert vindt by eenige koopmanschappen, binnen Assendelft gemaekt, magh binnen drie etmalen boffen, dat is daer van af gaen, ende daer uyt scheyden, mits voor den Schout en twee Schepenen syn boffen verklarende, en betalende de dubbele Wynkoop, Handv. v. Assend. 247 (a° 1668). Den 18 Juny 1685 heeft Dirck Baes geboft van een Coopmanschap van groene kaes off kantert vercoft aen een Coopman tot Amsterdam, betaelt 7 st. 8 p., Hs.bofboekje, archief v. Assendelft. – Zie ook Wfri. Stadr. 2, 309 en 348, en vgl. bofboekje, Boffersven, Bofland.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boffen , bōffen , zie bōdjes *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
boffen  , boeffe , boffen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
boffen , boffe , werkwoord , 1. Ploffen, bonzen. 2. Een koop breken, weigeren het gekochte in ontvangst te nemen en te betalen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boffen , boffen , zwak werkwoord, onovergankelijk , boffen, geluk hebben Wij boften dat de busse wat te late was, aanders waren wij niet mit ekomen (Uff), Je moet maor boffen, dan kuj in de slaop op bedde schieten (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boffen , boffen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe) = blaffend hoesten Hie hef het goed te pakken, hie döt niks as boffen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boffen , bóffe , geluk hebben , We bóffe meej diejen bóógerd wôr we de bieje nèr meuge zètte, t’is iin én al bloem. We hebben geluk met die boomgaard waar we de bijen neer mogen zetten, het is een en al bloem
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
boffen , boffen , boffelen , werkwoord , 1. mazzel hebben, er goed afkomen 2. met forse en/of zware stappen lopen 3. met een doffe slag vallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boffen , bóffe , bóftj, bófdje, gebóftj , boffen , Wae höbbe gebóftj mèt ’t waer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut