elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boekweitkoek 

boekweitkoek  , bokeskook , boekweit koek. Alles op zienen tied, bokeskook in den herfs, alles op zijn tijd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
boekweitkoek , bókkeskook , kook gemákt van bókkesmael (boekweit).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
boekweitkoek , boekendekoek , boekweitkoek. boekendekoek dorsen, hiermee wordt het met de knuppel dorsen besloten; men slaat dan niet beurtelings, maar met alle vlegels tegelijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut