elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bodem 

bodem , böm , voor bodem, in: d’r is geen böm in te kriegen = hij is niet zat te krijgen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bodem , baom , (mannelijk) , baoms, bö̀me , bodem (van een vat, enz.)
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bodem , bodem , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie zegsw. op boter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bodem  , baom , böömke , bodem, Zonder baom, bodemloos.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bodem , buäâm , mannelijk , bodem van kan of vat
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bodem , boam , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bùeme , bùemken , bodem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bodem , bojjem , m , bodem Nou, ’n bojjemke dan! Nou vooruit, een klein borreltje dan!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bodem , bojum , bodem. Tut op de bojem uitzoeke.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
bodem , boôm , zelfstandig naamwoord de , 1. Samentrekking van bodem. | ’t Loit op de boôm van de skuit. 2. Dichte graszode, onderkorst van grasland. Vgl. Fries boom. Zegswijze op de boôm skrape, (bijna) door de voorraad heen zijn, platzak zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bodem , boajem , boam.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
bodem , boam , bodem
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bodem , boam , bodem.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bodem , bodem , boadem, boom, baom , bodems , Ook baodem (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), boom (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), baom (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bodem Het waoter was zo helder, dat je de bodem zeen kunden (Nor), Der is gien zatgeven an, der zit gien baodem in hij is onverzadigbaar (Hol), De bodem deugt niet van iem. waarvan de komaf niet deugt (Sle), Daor zit een minne bodem in hij deugt niet (Eex), Der mot een goeie bodem in stevige ondergrond (Bal), Ie kunt de bodem al zein als het spul opraakt (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bodem , boden , de , (glasbl., db: Nbui) = werkvloer rond de oven bij glasblazerij
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bodem , bòjjem , bodem. schraapt d’n bòjjem d’r nie uit, zegt men als iemand heel hard door de pan krabt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bodem , bodem , beudem , bodem. Ook: beudem (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bodem , baom , beumpien , bodem. ’n Tonne zonder baom wordt wel gebruuk as hondehok.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bodem , bójjem , bodem , T’is hier booter tuuw d'n bójjem toew. Het is hier boter tot op de bodem toe. Tot de laatste cent moeten terugbetalen.
Meej goej klaor wôtter in de put kós'te d’n bójjem zien, mér dé was mistal nie zóó. Met goed helder water in de put kon je de bodem zien, maar dat was meestal niet zo.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bodem , bojem , bodem, bodem-, bojem- , zelfstandig naamwoord , de 1. bodem (van voorwerpen zoals een emmer, een kist, een beker enz.) 2. wagenbodem, bodem van voertuigen anderszins 3. laag die de bodem bedekt, vooral: beetje drank dat resteert en dat men nog zou kunnen krijgen 4. scheepsbodem 5. bedding onder het water 6. aardbodem, ook: bovenste laag van de aardbodem, zode
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bodem , boejem , bôôjem , zelfstandig naamwoord , boejems, bôôjems , boejempie, bôôjempie , bodem Je begon d’n boejeum al te zien Je begon de bodem al te zien Ook bôôjem; D’r zit een gat in d’n bôôjem
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bodem , bôjjem , bodem
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bodem , dèsse bojem hebbe , dat ze goed gegeten hebben
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
bodem , baodem , (zelfstandig naamwoord) , bödempien , bodem.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bodem , bojjem , bodem, basis , Mi bojjem én scheel. Met bodem en deksel. Zeer deugdelijk.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bodem , baom , bodem (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bodem , baom , (mannelijk) , bäöm , bäömke , 1. zitvlak, achterwerk 2. bodem , Eine flinke baom höbbe: een flink achterwerk hebben. Emes ane baom gaon: iemand plagen, voor de gek houden. Geine baom inne bóks höbbe: erg mager zijn; straatarm zijn. Toet oppe baom gaon: tot het uiterste gaan, alle krachten inzetten. Zich de baom oette bóks wirke: hard en lang werken. Zörg vuuer eine goje baom es se dich mèt Vastelaovendj eine geis drinke: goed eten voordat je uitgaat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bodem , bojem , zelfstandig naamwoord , 1. bodem; R Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bójem gezakt... (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren); ...mar die boks, daor wilde-n-ie niks van wete, den bojem hing ongeveer toe op z'n kuite! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940); Cees Robben – Is d’n bôjem daor zô bist...? (19550806); Cees Robben – Vlugge vogel (...) die (...) pieren uit den bôjem trekt... (19601007); Cees Robben – D’n bojjem scheurt open (19570309); Audioregistratie 1978 – “…ge had nie veul sènte, ge kost nie veul ònlègge… want ge dòcht akker tweej, drie hèb, dan zit ik op den bojem èn mènne kastelein, assie oe kènde dan pofte ie wèl… (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels); Henk van Rijen: hèlleg vat zónder bójem - gezegd van iemand die overdreven veel bidt, vaak zonder het zelf te beseffen; ‘Die pannen van tegesworrig hebben ammel van die dunne bôjems, daor zèn gin goeie pannen te kôop,’ zizze dan. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD 'voeringbójem' (II:l385) - voeringbodem (v.e. pet); WBD (II:2832,2863) 'bójem, bojem) - bodem v.d. kruiwagen, resp. v.e. 'vat'; Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BODEM - bojem, zelfstandig naamwoord mannelijk; 2. perceel bosgrond; Henk van Rijen: en höös meej en bojemke - een huis met grond; GAT R526:176V°(1736): Iten een heijbodemke groot een lopensaet ter plaetse in de Schooten, oost de vroente, west de Leij; WBD III.4.4:162 'bodem' = oerbank (grondsoort)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bodem , baom , bäöm , bodem; zitvlak; achterwerk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut