elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bode 

bode , bode , Men spreekt dit booi uit en gebruikt het hier ook dikwijls in den eigelijken zin van boodschapper. Zoo zegt men: ik heb eenen bode gezonden en ik zal
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bode , bòde , (mannelijk) , bode.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bode , bóde , (mannelijk) , bode.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bode , bode , dienaar van eene vereeniging, bv. van een Waterschap, van eene Kerkvoogdij, van een Plaatselijk Nut, Leesgezelschap, enz.; vroeger sprak men ook van Bode van ’t Stadshoes. – Vóór de nieuwe postregeling een man die er zijn beroep van maakte om brieven, pakjes, enz. naar eene andere plaats te bezorgen, bv. naar Groningen, Winschoten of Appingedam, en verder alle boodschappen te verrichten. – Ook nog zegt men wel: bode, voor: postbode. (v. Dale: bode = zendeling, afgezant, boodschapper.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bode , booi , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In de zegsw. booi is keukenmeester, ’t gaat er wanordelijk toe. – Vgl. Ned. booi is baas, Jan Rap speelt de meester. Wat booi hier betekent staat niet vast. Misschien is het enkelv. van booien, dienstboden, in welk geval de zegsw. echter van elders in Holl. naar de Zaan moet zijn overgebracht. HALBERTSMA en TUINMAN vatten (doch waarschijnlijk ten onrechte) booi op als Fri. bôi, knaap; vgl. booi II. – Het woord is nog gebruikelijk voor knaap (althans in Wormerveer); meestal als vleiwoordje voor kinderen. || Lekkere booi, geef me nog ’en zoentje. Wel booi, wat zien-je der gezond uit. – Zie verder Ned. Wdb. III, 34 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bode , bode , bood, boodbrenger , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Op de gewone wijze verkort tot bood. – 1) Boodschapper. || Zegsw. Daar is geen bood zo goed, as die het zelf doet. Vgl. Ned. Wdb. III, 381. 2) Boodschap, bericht. Steeds in verkl. behalve in de uitdr. boodbrengen. Wil je ’en boodje voor me overbrengen? Er is ’en boodje van Trijntjebuur ’eweest, of je ers ankomme. – Boodbrengen, langs de huizen rondzeggen, dat iemand overleden is, een kind, gekregen heeft of ondertrouwd is. || Er is bood ’ebrocht, dat Klaas Gerritsz. overleden is. We zelle ’et laten boodbrengen. – Vandaar boodbrenger, zelfstandig naamwoord mannelijk Aanspeker. – Elders in N.-Holl. spreekt men van de bood krijgen, boodschap, bericht krijgen (Taalgids 2, 100).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bode  , baoi , bode.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bode , booi , m , bode d’n Geméntenbooi, postbooi Gemeentebode, postbode.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bode , boôdje , boôd , zelfstandig naamwoord ’t , Boodschap, bericht(je).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bode , booj , politie-agent
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bode , bój , zelfstandig naamwoord , bode. 1. Bòj werd het meest gebruikt voor postbode. Toendertijd brachten de twee postbodes Toon d’n bòj (Antoon Naaijkens) en Bòj Bekkers te voet in het hele dorp de post rond. Die kon nagenoeg in één forse, leren tas die voor hun buik hing. Ze waren een soort vertrouwensmannen, die voor verafgelegen dorpsgenoten ook geldzaken via de post afhandelden. 2. ’ne Bòj is ook een papiertje dat men op de wind naar een vlieger stuurt. In het midden is een gaatje gemaakt waar het touw doorgaat.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bode , booi , zie *brievebooi.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bode , bode , postbode.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bode , bode , de , bodes, boden , 1. postbode Ik zal de breif even met de bode metdoun (Row) 2. dienstbode (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Daor kunt gien boden wezen ze hebben het er niet best (Sle), Um neijaor wurden de boden weer inwunnen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bode , booi , postbode.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bode , bode , (Gunninks woordenlijst van 1908) postbode
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bode , bode , zelfstandig naamwoord , de 1. degene die de begrafenis aankondigt en regelt 2. kwitantieloper, bezorger van pakjes e.d. 3. hetz. als postbode 4. dienstmeid bij een boer of burger 5. boodschapper 6. bode op een gemeentehuis e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bode , booj , bode
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bode , boi , booi , zelfstandig naamwoord , postbode (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); boi; dienstbode (Land van Cuijk); booi; postbode (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bode , boeaj , baoj , (mannelijk) , boeajes , bode, veldwachter
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bode , booj , boje , bode; dienstmeid
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
bode , boj , booj , zelfstandig naamwoord , "bode; pòsboj - postbode; ...daor kwaamp den booi en braocht 'nen brief. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun en de dames’; NTC 20-1-1940); ""Nou appeteker,"" zee den postbooi... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938); WBD III.3.1:438 'booi' = postbode; Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BODE - boi, zelfstandig naamwoord mannelijk, mv. bois, verkleinwoord boike; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOO, BOOI (scherpe o), BOI, zelfstandig naamwoord mannelijk - bode, Fr. messager; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; (1992): 'bòj' zelfstandig naamwoord postbode"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bode , boeëde , bode
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut