elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bobbelen 

bobbelen , bōbbeln , niet effen, bobbelig zitten; naaistersterm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bobbelen  , boebbele , binnenmondsch praten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bobbelen , bobln , werkwoord, zwak , bobln in t zoepm, door weinig eetlust in ’t natte voer snuiven; Hoe boblt in t zoepm, hij heeft er geen zin in
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bobbelen , boebele , een bobbel vertonen, opbollen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bobbelen , bobbeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. bobbelen Hij hef ’t bedde wel opstopt, maor het bobbelt hier en daor nog wel (Gas) 2. hobbelen De waogen bobbelt over de vlinten (Row) 2. borrelen Het waeter kookt zo, het begunt al te bobbeln (Die) 3. in groten getale voorkomen (Zuidwest-Drenthe) Dat is een goed plekkie, het bobbelt er van de vis (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bobbelen , bobbelen , bellen vormen. Et water kookt zowat, et bobbelt al
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bobbelen , bobbelen , werkwoord , hobbelend gaan; bijv. Et bobbelt d’r aorig deur gezegd van werk dat met ups en downs gebeurt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut