elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bluts 

bluts , bluts , (blus) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Kwetsuur. Ook afgestoten hoek; van porselein of aardewerk. || Hij heb bij die vechtpartij ’en paar blussen en schrammen op’elopen. Dat bord is zeker ’estoten, er is ’en blus of. – Zie verder FRANCK op bluts, en vgl. blutsen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bluts  , bluts , buil. Bluts op de kop, buil op het hoofd. Einen erme bluts, een stakker, stumper. Eine goje bluts, goedzak.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bluts , bluts , buts , umgekiërde ván ennen döämpel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
bluts , blutse , de , blutsen , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = deuk De neie störten ummer völt heur van de trappe en mitiene een beste blutse der in (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bluts , bluts , (vrouwelijk) , 1. bluts, deuk 2. goedgelovig, iets te naïef persoon, zie ook bäöts
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bluts , bluts , bult (op het hoofd); hoofd
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut