elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloemkool 

bloemkool  , bloomkoël , bloemkool.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bloemkool , bloemkól , m , bloemkólle , bloemkölleke , bloemkool, -kolen, -kooltje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bloemkool , bloemkool , strohoed voor heren
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
bloemkool , bloemkoôl , zelfstandig naamwoord de , Bloemkool, o.a. in de combinatie bloemkoôl dekke, het bedekken van de jonge vrucht met bloemkoolblad(eren). – Bloemkoôl sjouwe, het versjouwen van de bloemkool naar schuit of wagen. Bloemkoôl snaaie, het oogsten van de bloemkool door deze met een kapmes (zie: koôlsabel) van de struik te hakken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bloemkool , bloemkòl , bloemkool.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bloemkool , bloemkool , de , bloemkool Oes pa was nich zo gek op bloumkool (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloemkool , bloemkólle , bloemkool , Bloemkólle teule is nie gemak, mistal zit'ter wél 'n réps ôn te knaauwe. Bloemkool telen is niet makkelijk, meestal zit er wel 'n rups aan te knagen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bloemkool , blomkôôl , zelfstandig naamwoord , blomkôôle , blomkôôltie , bloemkool
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bloemkool , bloomkoeal , (mannelijk) , bloemkool
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut