elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloedzuiger 

bloedzuiger  , bloodzuuker , bloedzuiger.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bloedzuiger , bloedzoeger , de , 1. bloedzuiger Aj vrogger slim ziek wassen, deden ze je bloedzoegers under de oksels als een soort aderlating (Sle) 2. uitzuiger, woekeraar Wat een bloedzoeger, hij wil alles hebben (Schl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloedzuiger , bloedzôêger , blôêdzôêger , bloedzuiger. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blôêdzôêger
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bloedzuiger , bloedzûiger , bloedzuiger , Wa héd'de toch nen bult óp ’w biin, daor hi ne bloedzûiger gebeete zóó te zien. Wat heb je toch een buil op je been, daar heeft een bloedzuiger gebeten zo te zien.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bloedzuiger , bloedzoeger , zelfstandig naamwoord , de 1. dier of insect dat zich voedt met het bloed van andere dieren 2. uitzuiger, uitbuiter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bloedzuiger , [bloedzuigend dier, uitbuiter] , bloodzuger , (mannelijk) , bloedzuiger, beekprik, zie ook negenuiger
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bloedzuiger , bloedzèùger , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.2:221 'bloedzuiger' - oorworm (Forficula auricularia)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut