elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloeden 

bloeden , [bloed laten uitvloeien] , blödde , bloedde, ook Gron., nl. in ’t Old. Westerw.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bloeden , blouden , bluiden , blouden (Ommelanden) = bluiden (Oldampt, Westerwolde) = bloeden; vervoeging bludde, blud; blödde, blöd. Zegswijs: da’s moar ’n doukje veur ’t blouden = – een verzinsel om iets goed te maken, te herstellen; bij v. Dale: dat is slechts een doekje voor het bloeden = eene uitvlucht, een verzinsel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bloeden , [bloed laten vloeien] , bloeie , Zegsw. Bloeie-n-as ’en meelzak = niet bloeden. Hij het gebloeid as ’en meelzak, b.v. van een soldaat die niet in ’t gevecht is geweest. Verg. vergelijkingen als: zoo grauw als bloed zien (rood zien), Ogier, Sev. Hoofts. 167; Dat is zoo wit als een kave (schoorsteen); Zoo helder als waterchocola, enz.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
bloeden  , blooie , bloeden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bloeden , bloon , werkwoord, zwak , 1 bloeden, 2 schade lijden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bloeden , bloeie , bloeide, gebloeid , bloeden, bloedde, gebloed.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bloeden , bloeien , bloeden. Z’n hand bloeide verschrikkelijk.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
bloeden , bloo’n , bloeden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bloeden , bloen , bloen, ebloene (ebloed) , bloeden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bloeden , bloen , bloeden, bloden, bloouden, blouden, bluiden , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook bloeden (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), bloden (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), bloouden (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), blouden (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), bluiden (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. bloeden Een snee in de lip kan asmets slim blouden (Row), Dat is niet meer as een dooukie veur het bloouden (Anl), Bij koenen bekappen moej veur het bloen opholden (Sle), Hij blödde as een zwien (Hijk), Doe mar net as oe de neuze blödt (Dwij) 2. boeten, betalen Toen mus hij betalen en zij hebt hum laoten bloeden (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloeden , bloeien , bloeden. ’t bloeit verrèkkes, het bloedt ontzettend erg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bloeden , bloeden , bloeden. Bloeden as een maalzak ‘erg bloeden’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bloeden , bloeden , blodden , werkwoord , 1. bloeden 2. in d’r veur bloeden moeten ervoor moeten boeten, betalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bloeden , bloeie , werkwoord , bloei, bloeide, gebloeid , bloeden Hij lee te bloeie as een rund Hij lag te bloeden als een rund
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bloeden , bloeje , bloeden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bloeden , bloeje , bloeden
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bloeden , bloeje , bloeden , Hèij bloejt ás ’n vèèrke. Hij bloedt als een varken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bloeden , blooien , bleujen, bloeien , (werkwoord) , 1. bloeden; 2. (van bomen) sap verliezen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bloeden , bloeie , bluuie , werkwoord , bloeden (Helmond en Peelland); bluuie; bloeden (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bloeden , bloje , blootj, bloodje, gebloodj , bloeden , Die wónj blieftj bloje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bloeden , bloeje , zwak werkwoord , bloeden; - Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'net of w'uit ons neus bloejen'; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – …waare ze zen bist ònt vèèchte èn bloeje, bloeje, dè kunde wèl begrèèpe netuurlek, hè!” (transcriptie Hans Hessels 2014) zie Klik hier voor audiofragment; B blosje - bloejde - gebloejd; ik bloej, gij/hij bloejt korte oe; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bloeje(n) zw.ww.intr. - bloeden: 'mene vinger bloejt’ .Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLOEDEN - bluje (blude, geblut); doodbloeden; BLOEIEN - bluje; zelden, en alleen in de inf. (De homonymie met bloeden staat blijkbaar het gebruik ervan in de weg.); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEDEN (uitspr. bloeien, in de Kemp. ook bluën): Doeksken veur't bl.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bloeden , bloeien , bloeden
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
bloeden , blaoje , blaojde – geblaojd , bloeden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut