elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloed 

bloed , [verwantschap] , bloed , voor: bloedverwantschap; kold bloed = verre verwanten, en = verwantschap door huwelijk, bv. ’t zwagerschap.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bloed , [aangetrouwd] , kold bloed , wat geen naaste bloedverwant is, nl. ooms, tantes, neven, nochten, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bloed , blood , bloed, Gron. bloud. Sprw. Het blood krup daar ’t neet gaon kan = van familieleden wil men geen kwaad hooren, voor bloedverwanten trekt men altijd partij; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bloed , blôd , (onzijdig) , bloed; ’n blôdspijen, een bloedspuwing.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bloed , bloud zöcht bloud , (bloed zoekt bloed) = het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bloed , blôd , (onzijdig) , Bloed. Eerst had ik alles ve(r)spö̀ld maor nu kom ik weer bî blôd – nu ben ik weer aan de winnende hand.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bloed , bloed , Potje met bloed, Eigen speelgoed! roept een kind om zich van iets dat het vindt of waarvan het zich eerst meester maakt, te verzekeren. Verg. Potje met bloed, alle dagen mijn goed, bij Brusse, Boefje 43.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
bloed , blôd , (onzijdig) , Bloed. Eerst had ik alles ve(r)spö̀ld, maor nu kom ik weer bî blôd – nu ben ik weer aan de winnende hand.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bloed  , blood , bloed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bloed , bloud , mannelijk , blöude , blöudtien , stakker. Dät zint blöude vån wichter.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bloed , bloud , onzijdig , bloed
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bloed , blood , zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig , bleute , bleutjen , bloed. Biej blood komm, zich herstellen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bloed , bloed , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze bloed in z’n ore hewwe, zelfrespect hebben. Het woord bloed komt als versterkende bepaling in allerlei gelegenheidssamenstellingen voor, zoals: bloedduur, bloedgoil, bloedheit, bloedlink enz.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bloed , bloe , bloed.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bloed , blood , bloed.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bloed , bloed , blooud, blood, bloud , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook blooud (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), blood (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), bloud (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. bloed Het bloed spuitte der uut (Dwi), Hij kun gien bloed zien en daorumme is e nooit dokter eworden (Hgv), Hie zöt er gien kwaod bloed in ziet er niet tegen op (Sle), Der lop gien blood uut kan zonder risico (Die), Wat bin ik eschrökken, mien bloed worde karnemelk (Hgv), Hij haalt je het blood under de nagels weg tergt je (Hijk), Ik heb bloud zwait (Eco), Het bloud kookt mai (Row), Hie haar het bloed in de handen staon hard gewerkt (Sle), Hij hef blauw bloed is van adel (Die) 2. verwantschap Dat achternichie zit nog bie ons in het bloud (Vtm), Dat zit hum in het bloed familie-eigenschap (Pdh), Aj trouwen wilt, moej niet te nao in ’t bloud gaon niet te na in de familie (Row), Hij hef verkeerd blood familiekwaal (Hijk), Het is gien femilie, het is mor kaold bloud (Eex) *Het bloud krop, woor het nich gait (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloed , bloed , blôêd , bloed. Ook: blôêd (Kampereiland, Kamperveen). Ik kome weer wat in mien blôêd ‘ik word weer wat warmer’, bloed spi’jen ‘bloed spuwen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bloed , bloede , zelfstandig naamwoord , de; hetz. als blaore bet. 3
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bloed , bloed , zelfstandig naamwoord , et 1. bloed 2. bloed opgevat als drager van familieverwantschap of van belangrijke eigenschappen, bijv. ’t Zat in ’t bloed het was aangeboren, ’t was nog familie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bloed , bloed , uitdrukking , bloed voor ’t hart krijge Spijt krijgen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bloed , bloewd , bloed
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bloed , blood , (onzijdig) , bloed , Det zitj mich in ’t blood. Zeut blood höbbe: zegt men wel van iemand die vaak door muggen gestoken wordt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bloed , bloed , ’t bloed uit je tene hale, het bloed onder de nagels vandaan halen; bloed voor je hart zette, veel kracht kosten; dâ zal t’m wel vil bloed vor z’n hart zette!; iemand kwaad of verdrietig maken; boos of verdrietig zijn; ’t bloed stotterde in m’n are, het bloed stolde in mijn aderen; mijn hart stond bijna stil van de schrik
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
bloed , bloed , zelfstandig naamwoord , bloej , "bloed; hier: degene die moet bloeden; den bloed; Cees Robben – Hij daanste gewillig/ Den dôôd tegemoet.../ In ’n raozende vaort.../ En Sjef was den bloed.../ En nôôt zou den stumper meer rije... (19541211) De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen .Cees Robben – Ik was den bloed (19590523); Van Beek - ""Hij was den bloed"". Hij moest er voor bloeden. - Hij had 't verloren. De schà of de schande kwam over hem. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959); bloej; meervoud van zelfstandig naamwoord ‘bloed’ in de betekenis ‘kind’, ; kinderen; het verkleinwoord ‘bloedjes’ is ‘bluukes’ of ‘bluujkes’; Cees Robben – Gao-de meej oe bloei te veld... (19560804)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bloed , blaod , bloed
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut