elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bliksem 

bliksem , [vloekwoord] , blaksem , verzachtend vloekwoord, voor: bliksem; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bliksem , bliksemtje , schertsend = bliksemskind (zie: bliksem); doe bliksemtje, ’k zel die d’r wel weer veur kriegen! zooveel als: gij duiveltje! ’k zal het u wel betaald zetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bliksem , bliksem , als scheldwoord; doe bliksem! (ook: bliksemskind); bist ’n bliksem! (= duvel); zóó’n bliksem! (of: bliksemskind) = zoo’n verdoemeling! wat zee den bliksem? = (bv.) wat zei de galgestrop? Spreekt men met veel klem dan is de uitgang niet toonloos. West-Vlaamsch bliksem, bleksem = schurk, schelm, guit. Die bliksem heeft weerom al mijn appels geplukt; een bliksem van een jongen. (De Bo); hijte bliksem, zie: roodspek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bliksem , al den bliksem , de heele boel, allen en alles, niemand uitgezonderd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bliksem , blaksem , als vloekwoord verzachtend voor: bliksem. Zie: gommen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bliksem , blaksem , blinder , Verbasteringen van: bliksem. Te blaksem! As de blinder!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bliksem , bliksem , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – hete bliksem, zekere gloeiend hete spijs, aardappels met zoete appelen dooreen gekookt. Ook elders bekend, b.v. te Utrecht voor appels met rijst. || Hete bliksem, te Krommenie ook voor troet of boekweitgort. – Vgl. boekende blakstien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bliksem , blaksem* , (euphemistisch), ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bliksem , blaksem , blinder , Verbasteringen van bliksem. Te blaksem! As de blinder!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bliksem  , bliksem , Heiten bliksem, appelen met aardappelen dooreen gekookt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bliksem , bleerem , te bleerem , bastaardvloek, waarschijnlijk < bliksem
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bliksem , blaksem! , uitroep , bliksems
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bliksem , bliksem , m , ’ne luien bliksem lui iemand; heten bliksem appelpuree; ’nen heten bliksem seksmaniak.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bliksem , bliksem , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n malle bliksem, een guit of grapjas. – ’n Handige bliksem, een handig iemand. Soortgelijke combinaties van een bijvoeglijk naamwoord + bliksem worden vaak voor de vuist weg gemaakt, bv. ’n heite bliksem, ’n luie bliksem, ’n taaie bliksem enz. – Voor malle bliksem staan, voor gek staan. – Loup nei de blauwe bliksem, loop naar de pomp. – Boekende bliksem, boekweiten gort (in karnemelk gekookt), een gerecht dat als het ware snel als de bliksem te bereiden is. – Boekende bliksem, drie ploffe (drie pruttels) gaar, gezegd van boekweiten gort dat zeer snel te bereiden is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bliksem , blaksem , bliksem (uitroep).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bliksem , blaksem , blaks , (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook blaks (Midden-Drenthe) = bliksem Te blaksem, dat was niet mis (Dwi), Nou de blaks, dat is toch ok wat (Eex), zie ook bliksem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bliksem , bliksem , de , bliksems , 1. bliksem De bliksem sleug vlak bie het hoes in (Bov), As dat waor is, mag mie de bliksem veur de kont slaon (Bco), Het is mij gien bliksem weerd niets (Sle), Hij gung der as de bliksem vandeur (Die), Hij geeit naor de bliksem kapot, failliet (Anl), Naor de bliksem gaon sterven (N: be: Eel) 2. het lichaam Ik heb hum een pak op zien bliksem geven (Sle) 3. van personen Dei kerel, dat is zo’n roege bliksem (Vtm), Nim je in acht, dat is een bliksem van een wiefie (Bal) 4. (tw.) Bliksem, waor heb ie dat vluken eleerd (Hgv) 5. in hiete bliksem gerecht van zoete appels Die hiete bliksem was bliksems hiete (Ruw), ook van hitsig persoon Die meid is altied al zo’n hiete bliksem ewest (Vle), zie ook blaksem, bliksems
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bliksem , bliksem , ook blitsem, scheld- of vloekwoord. zie ook wirlicht. heten bliksem, appelstamppot.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bliksem , blaksem , bliksem, in uitroep van schrik of verbazing
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bliksem , bliksem , bliksem
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bliksem , blaksem , bliksem (uitroep). Te blaksem, dat hef hie ’m goed elap!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bliksem , bliksem , blaksem , tussenwerpsel , krachtterm: bliksems, deksels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bliksem , bliksem , zelfstandig naamwoord , de 1. bliksem (van onweer) 2. handige persoon 3. in gien bliksem krachtterm: helemaal niets 4. in naor de bliksem naar de verdoemenis, naar de barbiesjes, verloren (gegaan) 5. in hiete bliksem stamppot van aardappelen met zoete appels, zo ook blauwe bliksem hetz. maar nu met peren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bliksem , hiejetenbliksem , appelstamppot
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bliksem , blikstien , blikstiender , (tussenwerpsel) , bliksem, verdraaid, bliksems (krachtterm).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bliksem , blaksem , bliksem! (krachtterm).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bliksem , bliksem , zelfstandig naamwoord , bliksem; Henk van Rijen: bliksem in ne kaolen bôom gift hil et jaor strôom - onweer vroeg in het jaar belooft veel regen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut