elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikken 

blikken , blekken , noemt men hier het schillen van hout, voornamelijk van het eikenhout, om den bast in den looijerijen te gebruiken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
blikken , blikken , blikkeren , (onpersoonlijk werkwoord) , bliksemen. Men ziet het nog gedurig blikken, dat was een wreede blik, bliksemstraal.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
blikken , [soort bes] , bleeken , boschbessen of blauwe bessen. v. Hall: blauwe boschbes, ook waldbes, krakelbeziën, postelbeziën, blauwbes, boschbes, blikbeeren = vaccinum myrtyllus. Ned. Plantensch. p. 47.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blikken , blikken , (zwak werkwoord) , weerlichten; zie hetteblikken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blikken , blikken , (zwak werkwoord, intransitief) , Weerlichten. || ’t Heb de hele avond al ’eblikt, maar onweer komt er niet. Wat blikte het daar. As je niet thuis komme, zel ik je op je donder geven, dat ’et blikt. Evenzo elders in N.-Holl. – Zie blikkeren en blik IV.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blikken  , bleeke , blikken b.v. trommel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blikken , blékke , blikken In de blékke bus zitte de kuukskes. In de blikken bus zitten de koekjes; blékken bord (m.) een aluminium of geëmailleerde bord (meestal); blékke brulluft (v.) 6 jaren getrouwd
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blikken , bliêke , kijken met geknepen oogleden Tégge de zon in bliêke Tegen de zon in; lelijk gezicht trekken, lelijk kijken, gluren, loeren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blikken , aal om blikken , tamelijk vaak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
blikken , blikken , (ouderwets), biggen een blikje in het oor bevestigen (crisismaatregel)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
blikken , blikke , werkwoord , Ook: bliksemen, weerlichten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blikken , blikken , zelfstandig naamwoord de , Blikken stoof.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blikken , bliekke , nieuwsgierig kijken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
blikken , blikken , blieken , Ook blieken (Zuidwest-Drenthe, zuid), in zunder blikken of blozen zonder verlegenheid of wroeging Hij vertelde mij dat zunder blikken of blozen (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikken , blikken , bijvoeglijk naamwoord , van blik Nim mij even twie blikken emmers met van de mark (Pdh), Dat wicht is net een blikken pannegie, zo heeit, zo kaold (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikken , blikken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, noord) = steken van de zon De zunne, die blikt aordig (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikken , blikken , zwak werkwoord, overgankelijk , een identiteitsblikje in het oor doen Wij moet alle kalver nog blikken (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikken , blikken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook blikkern (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = blijkgeven van hengstigheid Ik zaag het peerd net blikken, hij zal wel hingstig wezen (Row), zie ook löslaoten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikken , bliéken , gluren, stiekem of nieuwsgierig kijken. wa stòdder toch te bliéken, wat sta je toch nieuwsgierig te kijken; hij blièkt van de kaauw, hij ziet wit van de kou.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blikken , blèkke , blikken , De beschûit zaote vruuger in 'n blèkke bus, veul ander dinger in blèkke dóóze. De beschuiten zaten vroeger in een blikken trommel, veel andere dingen in blikken dozen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blikken , blèkke , schillen , Ge zul’tew aojge nog wél’les beziire meej’t blèkke van die béúm, ge duu zó wuld. Je zal jezelf nog wel eens bezeren met het schillen van die bomen, je doet zo wild.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blikken , blieke , gluren , Ge moet nie zó stôn te blieke, de mènse worre nie gàère stiekem afgekeeke. Je moet niet zo staan te gluren, de mensen worden niet graag stiekem afgekeken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blikken , blikken , blikkeren, blieken , werkwoord , 1. merken van runderen, varkens, schapen of ander vee in de oren (veelal met merktekentjes van blik) 2. even kijken naar, een blik werpen op, steels kijken naar 3. bij het kaartspelen de kaart omkeren, nl. om te zien wat troef is 4. (bij paarden) tekenen van tochtigheid vertonen 5. als uitdrukking van de ogen hebben 6. verblikken, zich niet schamen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blikken , blikken , bijvoeglijk naamwoord , van blik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blikken , blíéke , bliekte , kijken, gluren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blikken , blie-ke , kijken
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
blikken , [van blik gemaakt] , blékke , blikken, van blik gemaakt , Blékke trómmel. Blikken trommel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blikken , bliejke , gluren, loeren , Zit ’r nie zó te bliejke, kékt vur oew. Zit niet zo te gluren, kijk voor je
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blikken , blieke , blekke , werkwoord , gluren, spieken (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Helmond en Peelland); blekke; ontschorsen, ondiep ploegen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blikken , blieke , zwak werkwoord , [het is onduidelijk of de ie in het Tilburgs altijd kort is]; bepaalde manier van kijken (= blikken?); WBD III.1.1:239 'blieken' = scherp kijken; WBD III.1.1:203 'blieken' = grijnzen; — blieke - bliekte - gebliekt; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blieke - manier v. kijken, meestal ongunstig, hinderlijk gluren; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLIEKEN onov.ww, een manier van kijken. Het had een wat agressievere klank en leek meer op 'gluren' en 'loeren'; op een nieuwsgierige manier een tafereel gadeslaan dat niet als een schouwspel bedoeld is, van een afstand visueel binnendringen in de intimiteit van anderen. Zie blz. 104 .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blieke(n) zw.ww.intr. - in het voorbijgaan glurend, loerend naar binnen kijken.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut