elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blijven 

blijven , blif , blijft; bliffe’r weer? = blijft hij er weer? Vervoeg.: ik blieve, do blifse, hij blif, wij blieft, ie blieft, zij blieft. blifst = gij blijft, en = blijft gij?
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blijven , blîven , (sterk werkwoord) , blijven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blijven , bleven , bleeb’n , (Veenkoloniën) = gebleven; hij ’s bleven = hij is omgekomen op zee; ’t schip mit al ’t volk is bleven = het is met man en muis vergaan. Eigenlijk zooveel als: gebleven op zee. Hooft, Vondel, enz. blijven = sneuvelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blijven , blif , blief , blijf; blif’r of! = blijf er af! blifst’r of? = wilt gij er wel van afblijven? – blief is meest in gebruik. Vgl. zig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blijven , belijven , zie blijven *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
blijven  , blieve , blief, bliefs, blief, bleef, gebleve , blijven. Bej eemes opblieve, iemand onder controle houden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blijven , bliiven , bleef, ebliieven; ik bliive, dů blifst, hei blif, wi, i, ze bliift , blijven
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blijven , bliewn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: blif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bleef , blijven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blijven , bliem , bleef, ebleem , blijven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blijven , blieven , sterk werkwoord, onovergankelijk , blijven Het is slecht weer, ie mussen mor blieven slaopen (Die), Huifst nog neit vortgaon, magst nog wel een poosie blieven (Erf), Hij bleef der bie, dat hij mie nog nooit eerder zein haar (Bov), Het is daor een bende van woor bliej mij bende van heb ik jou daar (Sle), Het bleef bewolkt (Odo), Gienien gung vort, ze bleven almaol (Oos), Waor blief ie mit oen praoties? (Hav), Waor waren wij ok al weer ebleven? (Pes), Hij mus zo housten, hij was der zowat in bleven (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blijven , blijven , blevven , blijven. (blijf, blif, geblivven).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blijven , blîêven , blijven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blijven , blievm , ik blieve / bleeve; iej blief / bleevm; hie blif / bleef; wie blief / bleevm; ik bin ebleevm , blijven. Hoe lange denk iej te blievm?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blijven , bliive , blijven , És ge de naom hét vruug óp te stôn, kun’de wél’les ne kiir bliive ligge. Als je de naam hebt vroeg op te staan, kun je wel eens een keer blijven liggen. Van iemand met een goede naam ziet men wel een foutje door de vingers.
Veul mènse hébbe gàère nen hérring, mér ik haauw dôr nie zó van, t’is én bléft vis. Veel mensen hebben graag 'n haring, ik houd daar niet zo van, het is en blijft vis.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blijven , blieven , werkwoord , 1. blijven 2. niet wijzigen wat de tijd, plaats enz. betreft 3. doorgaan met de bedoelde handeling, toestand 4. achterblijven, niet verder gaan 5. terechtkomen, raken 6. sterven,In d’r (haost) in blieven bijv. van een hoestaanval, van een enorme lachbu(koppelwerkwoord) in de uitgedrukte toestand, handeling blijven, bijv. goed blieven niet bederven, Alles bleef bi’j et oolde er veranderde niets; (hulpwerkwoord) doorgaan met de in het hoofdww. genoemde handeling, bijv. Ze bleven mar zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blijven , blèìjve , blijven
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blijven , blèft 't , blèttie , blijft het. blèttie (blijft hij)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
blijven , blieven , (werkwoord) , blif/blef, bleef, eblöven< , blijven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blijven , blèf mar , blijf-blijven , blèf toch nog ’n endje = blijf toch nog even-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
blijven , bleijve , blé, blét, blif, geblivve , blijven , Dè blé nie lang schòn stòn. Dat blijft niet lang mooi staan. , Blét ’r af! Blijf er af!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blijven , blieve , blieftj, bleef, gebleve , blijven
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blijven , blèève , sterk werkwoord , blèève - blêef - gebleeve , blijven; Cees Robben: Agge daor blèèft zitte,...; ast nie veraandert, dan blèèvet zôo; Cees Robben: waor is de tèèd gebleeve; wè blèèfde daor naa wir staon doen .Cees Robben: blèèf tòch tèùs; in heuren stal daor blèèvet wèèrms; Dialectenquête 1879: blêve (als fr. tête); geen vocaalkrimping; Henk van Rijen: den dikke mot zis weeke plat te bèd blèève; Dirk Boutkan: 'blèft' 2e+ 3e pers.sing. (passim), o.a. blz. 67, maar sing. neutr. ook blèèf-et .Dirk Boutkan: Met postcliticum: 'blèft-et' of 'blèèv-et' ; Dirk Boutkan: (blz. 37) doublet; ' blèft' + 'blèèft' = blijft; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): blèèfde (= blijf je) (krt. 23); blêef; verleden tijd van blèève
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
blijven , blie~ve , blaef – geblaeve , blijven
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut