elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blij 

blij , blij , (bijvoeglijk naamwoord) , blijde.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
blij , blîde , blij , (bijvoeglijk naamwoord) , blijde.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blij , blied , (Ommelanden) = opgeruimd, vroolijk, zonder luidruchtig te zijn; hij ’s altied blied = hij is altijd vergenoegd, heeft steeds schik in ’t leven; ’t is ’n blied kind = ’t heeft altijd een lach op het gelaat; zij het zoo’n blied gezicht = zij ziet er zoo tevreden en welgemoed uit; wat bin ’k joe (voor dien dienst) schuldig? – niks as ’n blied gezicht. Algemeen is: ’k bin blied (of: bliede) da’k (bv.) weer thoes bin, enz.; mit blieder harten = volgaarne, met volkomen instemming. Synoniem met: blijde = verheugd, Oldampt Westerwolde bliede. Tautologie blied en vlug, ook: vlug en blied = opgeruimd, welgemoed, blij gestemd. Vergelijking: blied as ’n engel. Vgl. Laurill. p. 66. (Bij v. Dale: blij, blijd, blijde.) Middel-Nederlandsch blide, blijt, Middel-Hoogduitsch blide, Gothisch bleiths, Oud-Noorsch blidhr, Engelsch blithe. Vroolijk, lustig, opgewekt, hem blide maken = zich vroolijk maken, zich vermaken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blij , blijd , (blait) , (bijvoeglijk naamwoord) , Afgekort uit blijde. Evenzo elders in Holl. en Friesl. – Zie een zegsw. op blik III.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blij , blied* , v. Dale heeft: blij, blijd, blijde.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
blij , bliedĕ , blij.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
blij  , blie , blij. Blie make mit ein doei musch, met weinig of niets blij maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blij , bliede , blij
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blij , blij , Iemand blij hebben zegt men kortswijlende voor iemand lief hebben.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
blij , blàj , bijwoord , willens en wetens
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blij , bliej , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , verheugd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blij , bloid , bloide , bijvoeglijk naamwoord , Blij. Vgl. Fries blijd. Zegswijze zô bloid as blik, erg blij. Mogelijk staat blik hier voor bliek = klein soort vis, en duidt de zegswijze op het vrolijk opspringen van deze visjes. Vgl. Boek.; bloide, in de zegswijze ze is in de bloide, ze is in (blijde) verwachting.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blij , bliede , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , blij Hie maakt je bliede met een dood vogeltien (Oos), Wat bin ik bliede dat alles nog good ekomen is (Rui), Hij is zo bliede as een kiend (Stu), Hij is zo bliede as een veugeltie (Vle), Hij is zo bliede as een hondtie (Vri), Hij is zo bliede as een lam (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blij , bli’j , blij. Zo bli’j as een veugeltien ‘zo blij als een vogeltje’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blij , bliej , blij. Wat was dât deerntien bliej met de nieje jörk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blij , bléij , blij , Un vrouw kun’de bléij maoke meej kléén hout én gróót géld. Een vrouw kun je blij maken met klein hout en groot geld. Help je vrouw en vertrouw haar het geld toe.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blij , bliede , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. blij, vrolijk, verheugd 2. opgelucht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blij , bléíj , blij
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blij , blèè-j , blij
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
blij , bli’j , (bijvoeglijk naamwoord) , blij.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blij , blêj , blij
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blij , blie , bliejer, bliest , blij , Zoea blie wie ei klein wèch(t).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blij , blie , bliejer – blie~s , blij
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut