elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bles 

Bles , bles , honden-, paarden-, koeien- en schapenaam.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bles , bleste , bles, van een paard; Gron. blespeerd = paard met eene bles. Oudt. blas = kaal; Bild. blas = wit. Vergelijk ’t HD. blass.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bles , bleske , meerkoot, waterhoen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bles , bles , (bijvoeglijk naamwoord) , Van balken of delen, die niet aan alle kanten recht bezaagd zijn en langs wier ongelijke kanten nog een gedeelte van boomschors zit. Die ruwe kant heet de bleskant. Al naar gelang van hun vorm zijn de balken aan één of meerdere zijden bles. || Gebruik die blesse balk maar. Achterdelen ben nog bles, maar kantdelen hebben geen bleskant meer. – Waarschijnlijk is dit bles hetzelfde woord als Ned. bles, kaal, waarbij ook bles, witte plek, behoort. De overgang van betekenis is duidelijk, indien men mag aannemen, dat door bles in ’t algemeen aangeduid wordt alles, wat een plek vertoont, die in kleur afsteekt bij het omringende. – Samenhang met Oost-Fri. blets, slijk, modder, vanwaar bletsig, vuil, smerig (KOOLMAN I, 183 vlg.; HALBERTSMA 388 vlg.) is niet aannemelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bles  , bles , een streng haar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bles , blis , 1) koe met witte streep op het voorhoofd; 2) langwerpige streep van voorhoofd tot neus.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bles , bles , zelfstandig naamwoord , 1. wittestreep op het hoofd van een paard of de kop van een koe (KRS: Hout; LPW: Lop) 2. een dier met een tekening als bij betekenis 1 vermeld (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek is, net als in de Lopikerwaard, het woord zowel in gebruik voor de vlek als ook voor een dier met zo’n vlek (Van Veen 1989, p. 39).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bles , bles , de , blessen , 1. bles Wij kent een kielbles, een smalle bles, een volle bles, een underbreuken bles en een briede bles (Zdw), Dat pèerd hef de bles in ’t oge in het oog doorlopende bles (Wap), Wie zul die bles heuren? Antw. Die bles heurt dat peerd zolf grapje (Hol) 2. dier met een bles De olde bles was al net as de baos, ze deden kalmpies en staodig an (Hgv), Oes bles hef zoveul melk geven koe met bles (Sle) 3. merkteken op een boom, gemaakt door een stukje schors weg te halen Pak die boom mor, der zit een bles op (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bles , bles , witte streep voor de kop van een paard of koe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bles , bles , zelfstandig naamwoord , de 1. bles bij een paard, koe, ook bij een schaap of hond 2. paard met bles (alg.), ook: koe of schaap met een bles 3. bles van een boom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bles , bles , zelfstandig naamwoord , blesse , blesie , [O] 1. witte streep op het voorhoofd van een paard, doorlopend tot op de neus 2. [Zbl] schraal belegde boterham
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bles , bles , zelfstandig naamwoord , haarlok (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bles , blès , zelfstandig naamwoord , WBD bosje haar (v.e. paard) dat tussen zijn oren naar voren hangt, ook 'maontóp' genoemd; WBD langwerpige streep van voorhoofd tot neus (op een paard); WBD lok-/roepnaam van het paard, resp. de merrie; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blès zelfstandig naamwoord mannelijk - 1) lange witte streep over de kop bij paarden; 2) dat gedeelte der manen v.e. paard dat tussen de oren door over het voorhoofd hangt; 3) weelderige haarkuif bij mensen .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLES - haarlok op het hoofd v.e. paard; witte streep v. voorhoofd tot neus bij paard of koe; zo'n paard
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut