elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaaspoep 

blaaspoep  , blaospop , reizende muzikant.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blaaspoep , blaospoep , de , 1. rondtrekkende hoornblazer Blaospoepen waren Duutse hoornblaozers, die hier bij zummerdag kwamen te meziekmaoken (Eex), Vroger kwam er of en to ies een troepien blaospoepen ien Rune (Rui) 2. opschepper (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook blaosbuul
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blaaspoep , blaospoep , zelfstandig naamwoord , de 1. (meestal mv.) Duitse hoornblazer die in groepsverband door de dorpen en steden trok om met muziek iets te verdienen 2. hoornblazer 3. iemand die over zichzelf opschept
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut