elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaar 

blaar , bleure , bloare , (vrouwelijk) , koe. Kil. blaere. vacca nigra, sed fronte alba. Isl. blâr, caeruleus.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
blaar , blaar , (vrouwelijk) , blaren, bles, witte streep voor den kop van een paard koe of ander dier. Vroeger sprak men algemeen van blaar of bleer, later is het woord blaar als zoodanig in onbruik geraakt en vervangen door woord bles, dat men evenwel niet moet verwarren met kol en snuit.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
blaar , blaar , (vrouwelijk zonder meervoud) , de blaar, eene hevige opzwelling van de huid over het geheele ligchaam, inzonderheid bij runderen en schapen: dit ongemak spreidt zich dikwijls in korten tijd over de geheele oppervlakte van het dier uit, waardoor meestal ontvelling en afschilfering van de opperhuid ontstaat. Meermalen sterft de koe plotseling, terwijl het ligchaam opzwelt en spoedig tot ontbinding overgaat, waarvan de oorzaak onbekend is; men zegt dan, om het kind toch een naam te geven – zij stierf aan de binnenblaar.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
blaar , blaore , (vrouwelijk) , blaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blaar , blère , (vrouwelijk) , koe met een bles; ook blèrekô.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blaar , bloaren , meervoud van: blad, en: blaar; ’k heb bloaren in de hand; bin twei bloaren oet mien bouk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blaar , bloarke , maar meer als eigennaam. Zie: bloarde kou.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blaar , bloar , (= blaar). Spreekwoord: Ongewoonte moakt bloaren = ongewone arbeid veroorzaakt ongemak, eig.: die het arbeiden niet gewoon is krijgt blaren in de handen. Nedersaksisch Ungewennte makt bulen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blaar , blaar , bleer , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast te Assendelft nog bleer. Van koeien. Een witte streep aan het voorhoofd hebbende, bles. Zulk een koe heet ook bleerkop (Assendelft) of blaarmoorkop. Is de blare koe niet zwart-bont, dan spreekt men ook van roodblaar of grijsblaar; eertijds ook van vaalblaar. De vorm bleer was vroeger de gewone. || Blere koeien hebben een of twee zwarte kringen om ’er ogen. Men heet geen Koe bleer, of hy heeft plek op heer, SOETEBOOM, Ned. Ber. 39. Twe Koeyen en een Pink-vaers, d’een rood bleer, d’ander swart bleer, met een bonte neus, het Pink-veers wesende rood-bleer ..., twee Koeyen, d’een rood-gremeld en d’ander vael-bleer, ... nog twe rood-blere Veerssen, SOETEBOOM, t.a.p. ’t Is ’en blaarmoorkop. – Bleer was vroeger ook in de Beemster gebruikelijk (BOUMAN 11). Blaar, zwart-, rood-, grijsblaar is algemeen Ned. en komt reeds in de Middeleeuwen voor (b.v. Rek. d. Graf. v. Holl. 1, 364 vlg.); zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blaar , blaar , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Opzwelling. Zie de wdbb. – Ook de benaming van een ziekte van koeien en schapen, waarbij de huid hevig opzwelt, welk ongemak zich soms in korte tijd over het gehele lichaam uitbreidt. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 11). Vgl. binnenblaar. – Zegsw. Een blaar tikken, van verrassing een gat in de lucht slaan. || Ze zel ’en blaar tikken, as ze dat nieuwtje hoort. Mijn gort! wat tikken jullie ’en blaar (wat maak-je een geweld)!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blaar  , blaor , blaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blaar , bloare , zelfstandig naamwoord , bloarn , blùerkn , blaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blaar , blaor , bleûre , blaar, bladeren (blaren).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaar , blaor , blaore , blaar, blaren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaar , blèûr , (klem)blaren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaar , blaar , bleer , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze da’s een blaar van ’t hart, dat is een pak van het hart. Meervoud blare, in de zegswijze as de blare van ’t gat benne, als de ergste pijn geleden is, als de ergste zorg voorbij is. Dialectische variant bleer (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blaar , bloaren , blaren.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
blaar , bloare , bleurtie , blaar.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blaar , blaor , blaar, blaore, bleure , blaoren , Ook blaar (Zuidoost-Drenthe), blaore (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), bleure (Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 3.) = 1. blaar Ik heb mie brand, ik heb blaren op de handen (Bov) 2. blaas in de verf Varf de baander vanmiddag mar niet; met die scharpe zun kriej der almaol blaoren op (Pdh), zie ook bladder 3. veeziekte, waarbij ogen en lichaam gezwollen waren. Werd verholpen door met een mes in de tong of oor van koe of kalf te snijden of er in te bijten. Soms werd bloed opgevangen op een beschuit en deze liet men de koe dan weer opvreten (Wsv). Het kalf is an de blaor (Sle) 4. nabloeding As een vaarken ebigd haar, blödde hij nog wel ies nao. Ze zeden dan: Hij hef de blaore (Die) *Aj het gat braandt, moej op de blaoren zitten (Die); Ongewoonte trekt blaoren als je iets niet gewend bent, krijg je vaak problemen (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blaar , blaor , blaorkop, bleure, blaorde , bloaren , Ook blaorkop, bleure (Zuidwest-Drenthe, zuid), blaorde (Zuidwest-Drenthe, zuid) = blaarkop Die boer har 3 blaorkoppen bij de koenen lopen en ok nog een witkop (Bei), Oonze blaorde is de melk op eslagen (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blaar , bleur , blaarkop: koe met witte kop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blaar , bloojer , blaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blaar , blaore , Gunninks woordenlijst van 1908: zwarte koe met witte kop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blaar , blöre , blaore , (Kampen) blaar. Ook: blaore (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blaar , blaore , blaar.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blaar , blaore , zelfstandig naamwoord , de 1. blaar in de huid 2. bladder in verflaag 3. bep. ziekte van de huid bij vee: blaar 4. ziekelijke opzwelling van het uitwendige geslachtsdeel bij een koe of varken 5. hetz. als blaorkop
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blaar , blaer , zelfstandig naamwoord , blaere , blaertie , blaar Ook blijn; Hij praot de blaere op z’n tong Hij praat aan één stuk door; Wie z’n gat brandt mot opte blaere zitte Je moet de gevolgen van je daden dragen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blaar , bloojer , blaar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blaar , blöre , (zelfstandig naamwoord) , blaar.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blaar , blojjer , blôr , blaar , Ik hé blojjers in m’n hând van ’t wêrke. Ik heb blaren in mijn handen van het werken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blaar , bleer , blaar (Ermelo, Putten, Nijkerk, Appel).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
blaar , blaoier , zelfstandig naamwoord , blaar (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blaar , blaor , (vrouwelijk) , blaore , bläörke , blaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blaar , blaor , blaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut