elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaak 

blaak , blaak , voor rook, mist, nevel. Blaken, voor weinig rooken, misten enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
blaak , blaok , Walm. Afl. bläokerig, naar den rook smakend.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
blaak  , blaok , rook.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blaak , blaok , rook D’n blaok slùt ’r af De rook komt er af; walm
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaak , blook , walm, rook.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blaak , blaok , blaoke , roet van een kaars of een petroleumlamp of petroleumstel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
Blaak , d’n Blaek , eigennaam , Blaakschendijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blaak , blook , walm
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blaak , blaok , walm
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
blaak , blôk , walm
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blaak , blaak , rook door het veenbranden ontstaan.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
blaak , blaok , blawk , zelfstandig naamwoord , walm (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); blawk; rook (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blaak , blaok , (mannelijk) , walm
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Blaak , Blaak , Bagijnhof; ‘n blaaikie pikke’ betekent wandelen op het Bagijnhof. Zie ook: marte
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
blaak , blaok , zelfstandig naamwoord , walm, door verbranding ontstaan zichtbaar gasmengsel; WBD (III.2.1:218) 'blaak', 'rook' = damp; WBD (III.4.4:212 'blaak' = damp, stoom' ook 'waas’, 'rook', 'smook'; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLAOK (ook bij v. Dale) dikke rook, walm; meestal gezegd van damp, die van warm eten af slaat: den blaok slot er aaf; den blaok hangt on de zulder .WNT BLAAK - gloed van vuur (ook fig.) thans niet meer in gebruik.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
blaak , bläök , walm
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut