elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bisschop 

bisschop  , busschop , bisschop.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bisschop , biskop , m , bisschop.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bisschop , bisschop , de , bisschoppen , bisschop De bisschop hef hier gistern het vormsel toudeind (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bisschop , bisschop , bisschop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bisschop , bisskop , (zelfstandig naamwoord) , bisschop.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bisschop , biskop , bisschop
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bisschop , bisjop , (mannelijk) , bisjoppe , bisjöpke , bisschop
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bisschop , biskòp , zelfstandig naamwoord , Van Rijen (1998): bisschop; Frans Verbunt: as den bisschòp ne priester wijdt wijdt den duuvel en pestorsmèèd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut