elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: binnen 

binnen , binnen , voor: binnengekomen, ter bestemder plaatse aangekomen, van schepen en scheepsvolk. Zijn zij echter eene andere haven, bv. eene vluchthaven binnengeloopen, dan wordt de plaats of het land er bij genoemd; stait in de scheepstiedens dat ze binnen bin; echter: zij bin binnen arns in Noorwegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
binnen , binnen , bin , (voorzetsel en bijwoord) , Daarnaast vroeger ook bin; zie aldaar. – Zegsw. Dat is binnen bij Louw, dat is binnen, dat is mijn! Synon. binnen mikken, binkas, bik. – Zegsw. Binnen ben de beste (d.i. die binnen zijn, zijn de beste), gezegd als iemand zijn geld, winst enz. binnen heeft.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
binnen , bin , (voorzetsel) , Binnen Thans verouderd, en alleen nog bewaard in de samenst. Binkaaik en misschien in binkas; zie aldaar. || Wat Boom dat bombt (bomt) en hol is bin, dat is geen Boom na mijnen sin. Saenl. Wassende Roos 12. – Vgl. Mnl. Wdb. I, 1258 op bin. – In het Fri. spreekt men nog van binhûs, bindoar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
binnen  , binne , binnen. Van binne, inwendig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
binnen , binn , bijwoord , binnen. Den mag wa twee keer binn komm, vuur da’j n één keer zeet, wat is die vermagerd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
binnen , binnen , binnenen , voorzetsel en bijwoord , in de zegswijze binnen is binnen, o.a. gezegd van geld dat men (met moeite) ontvangen heeft. – Die binnen binne, binne binnen, woorspeling met binnen en binne, variant van benne = zijn, in de zin van: wie zijn schaapjes op het droge heeft, is goed af. – In binnen, dialectische variant van: binnen, binnenshuis. | Bloive julle maar mooi in binnen speule. Dialectische variant binnenen. | Hai was van binnenen hillegaâr rot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
binnen , binnen , voorzetsel en bijwoord , binnen Nou moej is een keer binnen blieven (Klv), Het was er binnen een week (Sle), Hie hef de schaopies op het dreuge, hij is binnen (Ruw), Het koren is almaol op tied binnen (Eex), Kom maor binnen, as het gien Jeude is (Hijk), Hij kende het van binnen en van boeten (Row), Het schoot mie op tied te binnen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
binnen , bienen , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie binnen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
binnen , binnen , voorzetsel , binnen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
binnen , binnen , bijwoord , 1. binnen, in een ruimte 2. in een zodanige financiële positie dat men zich nooit meer zorgen hoeft te maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binnen , binnen , voorzetsel , 1. In een ruimte, niet buiten 2. minder dan een bep. tijdsbestek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binnen , binne , uitdrukking , Hij is binne Hij heeft veel geld
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
binnen , binne de kortste kirre , in korte tijd
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
binnen , bienne , binnen , buite is’t niks mar bienne is’t jil mwooj = buiten is het niets, maar binnen is het heel mooi-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
binnen , bènne , binnen , Bènne zinge, boete sjrieëve: werd gezegd van iemand die zich thuis netjes gedroeg, maar buitenshuis niet te genieten was. Es se de duuer toe duis, bès se bènne. Hae haet ’t van bènne wie ein geit ’t vèt: werd gezegd van iemand die je niet kon vertrouwen. Hae is bènne: hij heeft geld genoeg.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
binnen , binne , bijwoord , binnen; Henk van Rijen: hij is wir binne mee zene zak èn zun rèfke - daar heb je hem weer!
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut