elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijbel 

bijbel , biebel , bijbel, en in ’t algemeen voor: dik boek; wat ’n dikke biebel! Ook voor: spel kaarten = de biebel van 32 bloaren; in de biebel lezen = kaartspelen. (G.A. Brederode noemde reeds de bijbel een spel van 52 bladen. Vgl. Zeeman p. 84).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bijbel , bijbel , biebel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast nog biebel in de uitdr. zo koud as ’en biebel, steenkoud.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bijbel , biebel , (= bijbel) voor dik boek: wat ’n dikke biebel!; ook wel elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bijbel  , biebel , bijbel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bijbel , bibele , vrouwelijk , bijbel.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bijbel , biebl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , biebls , bieblken , Bijbel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bijbel , biêbel , m , bijbel
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bijbel , biebel , de , biebels , 1. bijbel Hij leest elke dag in de biebel (Bei), Bij die boer kuj bèter biebel wèzen as peerd, want hij beult ze allemaole of (Koe) 2. spel kaarten (Midden-Drenthe, wb) 3. dik boek
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijbel , biebel , bijbel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bijbel , biebel , biebeltien , bijbel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bijbel , biebel , bubel , zelfstandig naamwoord , de 1. bijbel 2. dik boek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bijbel , biebel , (zelfstandig naamwoord) , bijbel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bijbel , biebel , (mannelijk) , biebels , biebelke , bijbel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bijbel , bèèbel , zelfstandig naamwoord , bijbel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bijbel , bie~bel , bijbel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut