elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biezen 

biezen , bissen , met de staart in de hoogte heen en weder draven als de koeijen bij groote hitte door wespen geplaagd. Omdrentelen, druk wezen en niet uitvoeren.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
biezen , bissen , voor snel loopen en springen der runderen, voornamelijk der koeien. Meijer heeft voor bijzen of biezen, van hitte zieden, met een geweldige drift gedr
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
biezen , birzen , bizzen, bissen , het rennen en springen van het vee in de weide; ook wordt het gezegd van menschen die zich vroolijk aan stellen. Gron. birzen, freq. birzeln = wild rondloopen door dik en dun, van menschen en vee gezegd. Overijs. bizzen, daarvan: bizzinge = kermisgewoel, en: bissekist, en bissewielen = kist en wielen op de kermis te Ommen gekocht; Friesch bijskje, en bebijsseltje = schielijk heen en weer loopen, druk bezig zijn; Oostfr. birsen, bisen = wild heen en weer draven, in ’t bijzonder van vee in de weide; Neders. bissen, eig. van koeien gezegd die met onstuimige drift, uit bronstigheid of bij buitengewone warmte de weide op en neer loopen; Holst. bissen, birssen = heen en weer loopen, elkander naloopen, bijzonder van koeien die in den bronsttijd onrustig zijn; ook van vrouwvolk dat in huis heen en weer loopt en draaft en zoo den schijn aanneemt dat er veel uitgevoerd wordt; Westf. biesen = rennen van vee. Oudt. byzig = onstuimig; byze = noordenwind, storm, onweer; biezen = blazen, en daarvan: bysen, biesen, brisen; Zwitserl. bise = storm, orkaan, MHD. bisen = stormen, bruisen, Deensch bisse, Overijs. Friesch Maastr. bys = scherpe wind, en hiermede verwant: vijsten, en: veest.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
biezen , birzen , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] drijven, aandrijven.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
biezen , birzen , bissen, bisen , (zwak werkwoord) , 1) birzen, drijven, aandrijven. 2) bissen, heen en weer loopen; de kô biëst, de koeien loopen met den staart in de hoogte rond door het weiland.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
biezen , birzen , birsen , wild rondloopen door dik en dun, van vee en menschen gezegd. Hiervan de iteratief birzeln, en: gebirzel. Spreekwoord: As ijn kou an ’t birzen gait den begunnen ze altemaal te loopen, eig. en fig.: in dolligheden is het voorbeeld aanstekelijk. Bij Harreb.: Als de eene koe bist, zoo bissen ze allen; Keulen: Wann ein Koh der Stääz op hivv dan havven se inn all op. Hetzelfde woord als (bij v. Dale) biezen = loeiend rondloopen van koeien in de weide. Drentsch bissen, birzen = rennen en springen van vee in de weide; ook wordt het gebruikt van menschen die zich vroolijk aanstellen; zoo: birzig = haastig, driftig. (Friesch duynjen, razen, tieren, woeden, in het bijzonder van runderen gezegd, wanneer ze tochtig door het land rennen). Oostfriesch birsen, bisen = wild heen en weer draven, inzonderheid van vee in de weide; Holsteinsch bissen, birsen = heen en weer loopen, in ’t bijzonder van koeien die in den bronsttijd onrustig zijn, ook van vrouwvolk dat in huis heen en weer loopt en draaft, en zoo den schijn aanneemt dat er veel uitgevoerd wordt; Nedersaksisch bissen, eig. gezegd van koeien die met onstuimige drift, uit bronstigheid of bij buitengewone warmte de weide op en neer loopen. (Hier ziet men dit vooral wanneer er storm op til is); Westfaalsch biesen, bissen = rennen van vee. Oudtijds byzig = onstuimig; byze = noordenwind, storm, onweer; Overijselsch, Friesch, Maastrichtsch bys, Hoogduitsch Biese, Fransch bise = scherpe wind, en hiermede verwant: vijsten, en: veestwind. Bij Antonides: biezen = blazen; Zwitserland bise = storm, orkaan; Deensch bisse, Hoogduitsch bisen, biesen = onrustig rondloopen van vee; Zuid-Nederlandsch bijzen, van koeien die driftig in de weide loopen met den staart in de lucht; ook van menschen die driftig komen aanloopen; bijzig, birzig = buiig; Kil. bijsen, biesen = bruisen, opbruisen, hitsig zijn, branden van begeerte; Middel-Hoogduitsch bisen = rennen als vee dat door vliegen geplaagd wordt. Middel-Nederlandsch bissen, Oud-Hoogduitsch pisôn, Middel-Hoogduitsch bisen, Hoogduitsch bisen, biesen, Nederduits bissen, Nederlandsch bissen, biezen, bijzen. Wild rondloopen, van vee dat door vliegen of andere insecten gestoken is. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
biezen , birzen* , Hoogduitsch Bürsche = jacht, bürschen = stroopen, Pürsch = wildbaan, (ook wel, o.a. bij Uhland, Birsch, birschen.) Het Zwitsersche bise is Fransch, Hoogduitsch Biese.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
biezen  , bieze , hot en haar loopen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
biezen , bizzen , hard lopen van koeien door horzels en tegen onweer. As de eine kou bist, stiäkt de aondern ’n stat al in de höögte
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
biezen , bissen , Het woord wordt in de opgegeven betekenis gebruikt, dan ik twijfele of het aangehaalde Spreekwoord wel hier van ontleend zij: men zegt toch: als de eene koe pist, beurt de andere de staart op. En dat dit dikwils plaats hebbe, voornamelijk wanneer de koeijen op stal zijn leert de ervarenheid.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
biezen , biszen , De actie der runderen met een opgekromden staart door de weide huppelende. Van hier het spreekwoord als de eene koe bist beurt de andere de staart op om de navolging van eens anders doen uit te drukken. – Biszen wordt ook gebruikt van iemand, die gestadig heen en weder loopt en de vertooning van groote drokte maakt. In ’t steedje Ommen wordt een jaarmarkt gehouden, waar een groote toevloed is, doch waar de koophandel binnen weinig uuren verrigt is. Deze heet de Ommer bissinge, ongetwijffeld wegens de groote drokte en beweging.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
biezen , bizn , werkwoord, zwak , met de staart omhoog door de wei rennen, van koeien. A’t de eene koo biznt buurt n aandrn n stat op, de een steekt de ander aan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
biezen , bitse , Wild hollen van vee om de vliegen te verjagen De koei bitse um de vliêge te verjaoge.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
biezen , birzen , wilde manier van lopen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
biezen , beisjen , lopen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
biezen , boize , beize, boinze , werkwoord , 1. Puffen van de hitte. 2. Jakkeren. opjagen, met onnodige drukte te werk gaan. 3. Opscheppen in houding of kleding. Vgl. Fries biizje, Nederlands bissen in ‘kissebissen’.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
biezen , beezje , met opgeheven staart rondlopen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
biezen , bieze , zelfstandig naamwoord , biezen. Van biezen die ze ’s zomers plukten aan de waterkant, maakten de kinderen (de meisjes vooral) vlechten, paardetomen en kunstige punthoedjes.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
biezen , bizze , werkwoord , bij paarden en koeien die een *daas ontdekken: er op wilde wijze vandoor gaan (LPW: Lop) Met de betekenissen ‘onrustig rondlopen, banjeren; vuil lopen; hard werken’ ook bekend in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 35). Volgens de Van Dale is bizzen ook het ‘onrustige rondlopen van tochtige koeien’, naast de insekten dus als oorzaak van dat onrustige gedrag. Het WNT ziet bizzen als gewestelijke vorm van bijzen (met dezelfde betekenis), maar beperkt het verspreidingsgebied van deze vorm ten onrechte tot Gelderland en Overijssel.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
biezen , bizzen , 1. het door de wei hollen van de koeien met de staart omhoog uit angst voor rondvliegende horzels. 2. opjagen, b.v. bij het werk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
biezen , bissen , bizzen , bissen, ebist , 1. koeien die met de staart omhoog door het weiland rennen; 2. iemand opjagen; * schei toch uut te bissen: rustig maar aan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
biezen , birsen , beersen , Ook beersen (Zuidoost-Drents zandgebied) = rennen, meestal van vee Wat birst die koene vandaag ja deur ’t land, ’t komp zeker van de warmte (Pdh), Kwaojonges birsen mie deur de toene hen (Vtm), zie ook binstern, bentern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
biezen , buzen , buunzen, biezen, beeizen, beuizen, beuzen, buizen , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook buunzen (Zuidwest-Drenthe), biezen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), beeizen (Midden-Drenthe), beuizen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), beuzen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe), buizen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = biezen De beuzen matten op de stoelen koomt weer in zwang (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
biezen , beezen , rondrennen. wa ligge die koei toch te beezen!, het rondrennen van de koeien met opgeheven staart. As d’een ków beest, stikt d’áánder den stàrt umhòg, spreekw.: men aapt elkaar na.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
biezen , [van bies gemaakt] , biézen , unnen biézen stoél, een stoel met een van biezen gevlochten zitting.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
biezen , bizzen , (Kampereiland, Kamperveen) wild rondlopen van jong vee uit angst voor horzels
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
biezen , bizze , hollen, lopen , És d'n bizwörm vliegt dan gôn de koej ôn't bizze, want ze zén'ner bang af. Als de runderhorzel vliegt dan slaan de koeien op hol, want ze zijn er bang van.
Héij gi van d'urste baauw nie bizze. Hij gaat van de eerste steekvlieg niet lopen. Hij is niet zo bang uitgevallen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
biezen , buzen , biezen , bijvoeglijk naamwoord , van buzen, zie buze, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
biezen , biezen , werkwoord , hetz. als ofzeumen, bet. 1
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
biezen , biezen , werkwoord , 1. hard of druk en intensief lopen van mensen, bijv. Bies mar niet zo hadde 2. stoeiend heen en weer rennen of anderszins hard lopen: van koeien, o.m. gezegd indien ze op de vlucht zijn voor horzels
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
biezen , bieze , werkwoord , bies, biesde, gebiesd , aanbrengen van gouden biezen op rijtuigen, etc.
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
biezen , bíéze , drassig bosgebied
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
biezen , bizzen , bizzeren , druk doen, gejaagd lopen; bizzerig, gauw aangebrand, kattig (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
biezen , beze , biezen , De beze zitting oppe stool is kepot.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
biezen , [afwerken] , beze , beestj, beesdje, gebeesdj , biezen, afwerken , Die kokosmat mót nog waere gebeesdj. Eine petticoat beze mèt biaisbandj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
biezen , bieze , bizze , zwak werkwoord , bieze - biesde - gebiesd; bizze, bisde, gebisd , WBD met opgeheven staart rondlopen (van koeien); zie 'bizze'; korte ie; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bizze zw.ww intr. - onrustig met opgeheven staart door de wei rennen (van koeien en kalveren gezegd die door bauwen geplaagd worden) .A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - biezen, bijzen, bizzen - wild rondlopen; WNT BIJZEN - van vee: door de weide rennen, vooral wanneer het tochtig is of door de hitte of door insecten wordt geplaagd. Van menschen: (driftig) loopen.; bizze; op de loop gaan (omdat anderen ook lopen); Brabantius (1884) - Bizzen, het rondloopen der koeien met opgeheven staart. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal) .Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Hij gao nie bizze vur d'irste baaw. - Hij gaat voor de eerste horzel niet op de loop .WBD bieze - met opgeheven staart rondlopen (van koeien); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'daor gaoget heene' zi den boer, èn zen öske dè bisde (N. Daamen - Handschrift 1916); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIZZEN, BIZEN (korte ii) - driftig loopen met den steert in de hoogte, van rundvee dat tochtig is of door de hitte gekwollen wordt .K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Biesen: Dit wordt gebezigd van ene koe, die met de staart in de hoogte al wild door de weide loopt .Dumbar BISZEN, BISSEN, idem; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BIZZEN onov.ww., verwant met 'bijster', gezegd van koeien ... z.a .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bizze -onrustig met opgeheven staart door de wei rennen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
biezen , baeste , baestde – gebaes , (ald Veldes) stoelenmatten (ww)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut