elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bier 

bier , bier , "Te bier gaan beteekent hier thans nog naar een feest gaan, waar bier gedronken wordt als: van eene gilde, kermis enz. Men zegt het ook wel voor: naar
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bier , [feestmaaltijd ] , bier ,  warm bier , feestmaaltijd. Alle groote maaltijden, die bij bijzondere gelegenheden worden (of: werden) dragen den naam van bieren, omdat eertijds het bier bij plechtige samenkomsten in Drente de algemeene volksdrank is geweest. Als zoodanig zijn bekend: de Kinderbieren of Kraambieren, de bruiloftsbieren, de dood-, leed-, of groevebieren, enz. Dr. Volksalm. 1840 p. 159. In ’t Westerkw. (Gron.) was het (nog na 1850) het gebruik, dat, wanneer de dienstboden in de vrijweek hunne rekeningen aan schoenmaker en kleermaker voldeden, zij alsdan op bier onthaald werden; sterke drank moesten zij betalen. Dit feestje heette schoumaokersbier, enz. Overijs. bier, of: biermaol = boerenfeestmaal; Geld. een bier eene boerendanspartij. Oudtijds zei men, als de maan zich achter de wolken verschool: de maan gaat te bier = vertoeft in de herberg. – Zie: maal. warm bier = bier met beschuit en wittebrood tot brij gekookt, en behoorende bij een begrafenismaaltijd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bier , bieer , beer , (onzijdig) , bier, maal of feest.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bier , bier , bijer, bijr , bier (Westerkwartier, Hunsegoo) = bijer, bijr (Oldampt, Westerwolde, Fivelgoo). Hier vermelden wij een gebruik, dat vroeger algemeen, nog in enkele dorpen van ’t Westerkwartier in eere wordt gehouden, nl. dat, wanneer dienstboden, en ook anderen, in de vrijweek hunne rekeningen aan schoen- en kleermaker betalen, zij als dan op bier onthaald worden; sterke drank wordt door de jongelui zelve aangeschaft. Dit feestje noemt men schoumoakersbier. – Zoo spreekt men ook van: richtelbijr (– of: bier), zooveel als: feest bij het richten (zie aldaar) van een huis. Samenstellingen – hijtbier; kluunbier; windbijer; bijerpulle; bijergeld, enz. Drentsch bier = feestmaaltijd. Alle groote maaltijden bij bijzondere gelegenheden droegen daar den naam van: bieren, omdat eertijds het bier bij plechtige samenkomsten de algemeene volksdrank in Drente is geweest. Zoo zijn daar bekend: kinderbieren of kraambieren, bruiloftsbieren, dood-, leed- of groevebieren, enz. Overijselsch een bier of biermaal = boerenfeestmaal; Geldersch een bier = eene boerendanspartij. Voorheen kende men: vastenavond- of Gregoriebieren, gildebieren, kindelbieren (bij ’t doopen), lovelbier (verlovingsfeest), troostelbier of doodbieren. Kil. troostelbier = gastmaal; Mecklenburgsch ausbier = oogstfeest; Holsteinsch kindelbeer = doopmaal. Oudtijds zeide men als de maan zich achter de wolken verschool: de maan gaat te bier = vertoeft in de herberg. Zegswijs: bier (of: bijer) en barmhartighaid komen bie’n kander (of: bie’nander), van iemand die in dronken toestand weekhartig wordt, of ook: braakt. Oostfriesch beer un barmhartigkeit = troebel bier; Nedersaksisch beer un barmhartigkeit kaamt bi em tosamen, en: de barm liep hem over ’t harte = hij werd tot medelijden bewogen; Holsteinsch: dat gait wedder na ’n den barm to = het gaat weer zijn ouden gang; Strelitz wat to letzt kümmt is barm. – Van barm wordt de gist bereid, maar beteekent ook: bezinksel, droesem van bier. Sleeswijksch bärm, Deensch baerme, Noordfriesch barme, berme, Hoogduitsch Hefe = gist, en moet tot: beren, baren = dragen, voortbrengen, gebracht worden. De zegswijs bevat dus eene woordspeling.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bier , bier , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie een zegsw. op rood.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bier  , beer , bier.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bier , beer , [bēr] , onzijdig , bier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bier , bier , Boeren spreekwijs: een bier geven, dat is een gezelschap van boeren op bier onthalen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
bier , beer , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bier
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bier , beer , bier (drânk).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bier , bier , beier, beer, baier , Ook beier (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, veroud.), beer en baier (wb) = 1. bier Bier met alles is bier met een scheutie roodbitter en een schep sukker (Eex), Hie is boven zien bier dronken (Sle) 2. (feestelijke) maaltijd t.g.v. geboorte, doop, bruiloft of begrafenis (veroud.)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bier , bier , bier
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bier , bier , bier , Bier óp wiin gèft veniin, mér wiin óp bier dé gèft plezier. Bier op wijn geeft narigheid, maar wijn op bier geeft plezier. In de goede volgorde drinken, anders krijg je narigheid.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bier , bier , zelfstandig naamwoord , biertie , bruine jus zonder vet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bier , biejer , bier
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bier , beer , (onzijdig) , beer , beerke , bier , ’t Beer inne stevele höbbe staon: stomdronken zijn. Ei pötje beer op zienen tied smaaktj good.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bier , bier , zelfstandig naamwoord , "bier; Van Delft - Wat ""een vaatje zuur bier"" is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor ""'n hipje"" aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een ""aan den haak te kunnen slaan"". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); Hij fiedelde mar van tierelierelier; en zaogde rauw kris-kras; en ie dronk 'n stevig pötje bier; as 't geen jenever was . Z'n ooge blonken as van glas; en gluurden deur 'n kier......; ze dreven, - as 't geen snevel was, -; ze dreven rond in bier!; (Piet Heerkens – ‘Jan Viool’ in: ‘D’n örgel’ – 1938); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et slèèchtste / kaojste bier is aaltij nòg beeter as et biste wèèrk (Pierre van Beek:-TT ' 71) - je kunt beter slecht bier drinken dan goed werk hebben; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zakken as brèùn bier (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1966) - snel minder worden; Frans Verbunt: kastelein, tapt ene pòt vant biste bier want onze grotvadder is dood; Cees Robben: ''n glas bier zôo grôot as mèèrege hil den dag'; Dirk Boutkan: 'goet vur d bier' (??)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bier , baer , birke , bier
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut