elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezweet 

bezweet  , bezweit , bezweet.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bezweet , besweiten , bijvoeglijk naamwoord , Bezweet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bezweet , bezwit , bezweet , Ge zé bezwit, gi moet óppaase dég'ge gin kléts vat, ge zé zóó snotverkoud. Je bent bezweet, je moet oppassen voor een verkoudheid, je bent zo snipverkouden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bezweet , bezwit , bezweet
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bezweet , [bezweet ] , bezwètj , bezweet , Hieël bezwètj zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezweet , bezwit , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , bezweet; Vocaalkrimping; Hoeufft: 'bezwit' voor 'bezweet'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut