elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezitten 

bezitten , bezitten , intoomen, zijne drift beheerschen, kalm blijven; ’k heb mie bezeten = niet laten merken dat ik boos was. Luc. 21:19: Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. Vgl. bienens.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bezitten  , bezitte , bezit, bezits, bezit, bezoot, bezaete , bezitten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bezitten , bezitten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. bezitten Hij bezit hielwat, het is een rieke stinkerd (Ndo) 2. zitten op (wb) Sunt Peter mut de luibert zien nust bezitten (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezitten , bezittn , bezitten. Hie hef nooit wat bezèètn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bezitten , bezitten , werkwoord , 1. in bezit hebben 2. in Die bezit nogal aorig hij/zij is altijd goed gezond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut