elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezembinder 

bezembinder , bessembinder , voor bezemmaker.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bezembinder , bessêmbinder , bessêmbiender , bezembinder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bezembinder  , bessemebinder , bezembinder.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bezembinder , bessembinder , de , bezembinder Hij haf een woord as een bessembinder van een grootspreker (Nsch), Hij vlökte as een bessembinder (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezembinder , bessembiender , bessembiener , zelfstandig naamwoord , de; iemand die bezems ‘bindt’, nl. van bezemrijs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezembinder , [bezembinder] , baesemebinjer , (mannelijk) , persoon die van brem bezems maakte , Hoempa waas eine baesemebinjer en hae verkoch die baeseme ouch.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut