elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bestemoer 

bestemoer , bestemoar , (vrouwelijk) , grootmoeder.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bestemoer  , bestemooder , grootmoeder.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bestemoer , bestemoor , vrouwelijk , vroedvrouw. ook: wiizemoor
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bestemoer , beste moder , beste mójer , grötmoder.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bestemoer , besmoor , grootmoeder.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bestemoer , besmouer , de , besmouers , (Zuidoost-Drents veengebied) = grootmoeder Hij hef niks arft, nich van zien meuie en ok nich van zien besvaar en besmouer (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bestemoer , bessemoer , grootmoeder (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut