elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besprenkelen 

besprenkelen  , besprinkele , besprenkelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
besprenkelen , besprenkeln , zwak werkwoord, overgankelijk , besprenkelen Ow vrogger zoerkool meuken, wörde ʼt besprenkeld mit karnemelk (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
besprenkelen , besprenkelen , besprinkelen, bespraankelen , werkwoord , 1. met druppels bevochtigen 2. veel alcohol drinken op een feest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
besprenkelen , [besprenkelen] , besprinkele , besprenkelen , Mèt wiewater de doeadskis(t) besprinkele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut