elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: benul 

benul , benul , (onzijdig) , begrip, besef, b. n. [benullig.] onbenullig, plomp en onbezuisd. [Lul, cadans van ’t vers, voys. be-lul, berooi. l = n.]
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
benul , benul , Verstand, rede, denkvermogen, overleg, bezinning, besef, nagedachte; van daar onbenullig, gedachteloos, wezenloos, onverschillig. Benul is door verwisseling van l en n bij onze oude dichters zoo dikwerf voorkomende belul, als Vondel (Eneas): ‘Ick grijp de wapens en ʼt geweer aen, droef en dul, / Doch zonder overlegh, en kennis, en belul.’ (Uitgave Westerman, XVII, 219.) Zie over deze vrij onstichtelijke uitdrukking (waarvan het ‘uitlegkundig woordenboek op Hooft,’ I, blz. 108, zegt: ‘de kieschheid van lateren tijd heeft dit woord, te voren in algemeen gebruik, met regt verworpen).’ de Tael- en dichtkundige Bydragen, II, 292; Kluit, Lijst enz. 1783, blz. 301, Bilderdijk, Geslachtlijst, II, 162, en Weiland in voce.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
benul , benül , (onzijdig) , verstand, begrip; slitaozie an ’t benül, kindsch worden; hé heft er gin benül van, hij heeft er geen verstand van.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
benul , benul , besef, zelfbewustheid; de zieke het gijn benul meer = ligt bewusteloos neer; hij het ’r gijn benul van = hij beseft het niet, heeft er geen denkbeeld van; ook: begrijpt het niet; oaverei an ’t benul hebben = half krankzinig zijn. Geldersch benul = verstand; Oostfriesch benül, Osnabrück vernull. (v. Dale: belul (= benul); Weil. belul = doorzicht, besef, een woord hetwelk voorheen zeer gebruikelijk was, doch thans niet zeer sticht; in den lagen spreektrant alleen nog in zwang.) – benul zal de ware spelling zijn, en tot het Oud-Hoogduitsch nal, nul = het hoofd, nuilla = de schedel; Oud-Friesch holla, Friesch holle, Engelsch noll, noddle, Middel-Hoogduitsch nulle, nol, Angel-Saksisch hnol = hoofd, schedel, gebracht worden. Vgl. v. Dale artt. onbenul, en: onbenullig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
benul , benul* , “nal, nul, nuilla” zal Oudhoogduitsch zijn. Men spreekt in ’t Nederlandsch van een “onbenul” = “onbenullig” persoon.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
benul  , benöl , Hae haet der gein benöl van, hij weet er niets van. Gen benöl hebbe örges van, geen verstand van iets hebben.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
benul , benul , onzijdig , verstand. Daor heb ik gein benul vån.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
benul , belul , zelfstandig naamwoord ’t , Benul (verouderd) De vorm belul is de oudste en waarschijnlijk een afleiding van verouderd lul of lol = melodie(tje).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
benul , belul , zelfstandig naamwoord , benul. Dè mènneke hè nèrreges belul van. Dat mannetje heeft nergens enige notie van.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
benul , benul , belul , Ook belul (wb:Hgv) = 1. besef Hie hef hildal gien benul meer, dat e op de wereld is (Eex) 2. verstand Hij hef ze allemaole niet meer bij mekaar, hij hef slietaozie an zien benul (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
benul , benul , (Gunninks woordenlijst van 1908) verstand. Gunninks woordenlijst van 1908: Ik kan der gin benul in krîêgen ‘ik kan hem/haar niet wakker krijgen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
benul , benul , besef. Hie hef der gien flauw benul van, dât ’t met zien zaekn mis mut loopm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
benul , belul , benul , Dé ménneke hi daor nog gin belul af, dé hoef'de hum nog nie ût gôn te lègge. Dat kind heeft daar nog geen benul van, dat hoef je hem nog niet uit gaan te leggen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
benul , belul , zelfstandig naamwoord , benul, besef, begrip Hij hatter glad gêên belul van Hij had er helemaal geen benul van
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
benul , belul , zelfstandig naamwoord , benul (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
benul , belul , zelfstandig naamwoord , Van Rijen (1998): benul, besef; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): belul zelfstandig naamwoord benul; WNT BENUL, bij oudere schrijvers altijd BELUL
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut