elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bemoeien 

bemoeien , bemö̂jen , (zwak werkwoord) , bemoeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bemoeien , bĕmeujĕn , bemoeien.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bemoeien  , bemeuie , bemeui, bemeuis, bemeuit, bemeuide, bemeuit , bemoeien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bemoeien , bemööien , bemoeien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bemoeien , bemùejn , werkwoord, wederkerig , bemoeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bemoeien , bemujen , bemujen, bemuujd , bemoeien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bemoeien , bemuien , bemuiden, bemeuien, bemuuien , Ook bemuiden, bemeuien (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), bemuuien (Pdh) = 1. bemoeien Aj der niks met te maoken hebt, moej je der ok niet met bemuien (And), Hij bemuit hum overal mit (Mep) 2. spijt hebben, er mee zitten (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) Ik heb mij der over bemuid dat ik dat daon heb (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bemoeien , bemuuien , bemoeien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bemoeien , bemuujn , bemoeien. Bemuuj iej oe met oe eign bemuujsels.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bemoeien , bemuuien , bemujjen, bemuien , werkwoord , zich bemoeien met andermans zaak, diens opvattingen, wijze van doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bemoeien , ermi bemoeje , zich ermee bemoeien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bemoeien , bemuuien em/zich , (werkwoord) , bemuuien, bemuuid , bemoeien. Bemuui oe der niet tegenan ‘bemoei je er niet mee’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bemoeien , moeje , iets doen, zich ermee bemoeien , hij zal oew nie moeje = hij zal je niks doen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bemoeien , bemeuje , bemeutj, bemeudje, bemeudj, , zich bemeuje, zich bemoeien, zie ook meuje , Dao mós se dich neet mèt bemeuje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut