elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: belust 

belust , belust , (bijvoeglijk naamwoord) , belustheid, trek, begeerte, zekere geneigdheid hebbende naar spijze of drank, die men anders niet gewoon is te gebruiken, althans waaraan men niet zoo bepaaldelijk de voorkeur geeft: niet zelden is die belustheid eigen aan vrouwen, die wamelen. Zie op dat woord.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
belust  , belös , belust.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
belust , belust , bijvoeglijk naamwoord , belust Hij is arg belust op wat neis (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
belust , belust , bijvoeglijk naamwoord , belust: lust hebbend, begerig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut