elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: begijn

begijn , begijn , bagijn , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast bagijn. – Ook als naam ven een bepaald soort van koe. Vgl. BERHHEY, Nat. Hist. 42, 216: Bagijnekap is er ook; dit zijn gemeenlijk kleine Koetjes, wier horenen niet uitgewassen zijn, en de kruin zwart hebben, zoo dat deze zich als een zwarte Bagijne tipkap vertoond, en even of zij een ouderwetse Bagijnehuik dragen. || Ik heb de bagijn verkocht. Een roo bagijn, Custb. (a° 1746).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
begijn , begien , non.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
begijn , begien , kloësterzuster.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
begijn , begien , (vrouwelijk) , begiene , begienke , begijn, non , ‘Alle bietjes bate’ zag de begien en toen pisdje ze inne Maas. Begiene zeen neet wie ze sjiene. De begiene van Greuneberg en van Hagebrook. Det zeen mich men, die begiene.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
begijn , begie~n , begie~ne , begijn; kloosterzuster
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut