elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: been 

been , been , (onzijdig) , beene , beentjen , (hier en daar is ee verlengd tot (i)ee) been; wi zült di ok ens bi ’t beentjen krîgen, onder handen nemen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
been , bijn , been; ’t gait as ’n bijn, ook: ’t gait as ’n tuut = ’t loopt goed van stapel, van werktuigelijke handelingen gezegd; Oostfriesch ’t geid as ’n bên. Eigenlijk zooveel als: het loopt als een been loopt, en: het loopt vlug als eene kip; dat het hij an zien zeer bijn, ook: dat krigt hij op zien zeer bijn, fig.: hij moet de kosten dragen, ’t gelag betalen; ’t beste bijn mout veur (of: veuran) = alle krachten moeten worden ingespannen; ook Oostfriesch; hij het mie bie ’t bijn had = hij heeft mij (in geldzaken) beet genomen; ook Oostfriesch; hij kon gijn bijn an de grond kriegen = hij bleef ver achter, nl. in een wedstrijd; ik ken ’t nijt oet de bijnen snieden, op bitsen toon uitgesproken: ik kan’ter niet geven, gij verlangt het onmogelijke van mij; ook Oostfriesch; ’t zakt mie in de bijnen, ook: ’t zakt mie iene schounen = ik zie er tegen op en laat daarom het plan varen, wat vooral betrekking heeft op reizen en uitgaan; ’t schut mie in de bijnen, of: ’t schut mie iene beenen = de schrik schiet mij in de beenen; ’t ijne bijn nijt veur ’t ander kennen kriegen = van zwakte of vermoeidheid niet kunnen loopen, waarvoor men elders hoort: geen voet meer voor den anderen zetten kunnen; de bijnen (ook: de vouten) onder ’t lief hebben, fig. = de voeten in den stijgbeugel hebben, zoogoed als er bovenop zijn; ’t nijt langer op de bijnen hollen kennen = door ongesteldheid naar bed moeten; hij ’s mit ’t verkeerde bijn van ’t ber stapt, bij v. Dale: hij is met zijn linkerbeen uit bed gestapt, ook Friesch, Oostfriesch = hij is verdrietig, knorrig; op ìjn bijn ken men nijt loopen = met één kopje koffie, of: met één glas jenever, enz. mag men zich niet tevreden stellen (meent de gastvrouw); ook Oostfriesch’k zel die bijnen moaken! = maak dat gij wegkomt! (beenen maken = vluchten, wegloopen); de bijnen (ook: de hakken) oetsteken = eenigszins spottend voor: sterven. Zie ook: bōnk.; hooge bijnen (hooge beenen), in: op hooge bijnen ergens heengaan, zooveel als: er zich met drift naar toe begeven, bv. om rekenschap van iemand te eischen, om iets te beredderen, enz.; lange bijnen, in: lange bijnen (of: beinen) moaken (Stad-Groningsch) = hard loopen.
op’n bijnen, voor: op de been; as’k op ’n bijnen koom (dat is als ik van mijn stoel opsta), ze ’k tie drinken hoalen; pas op as ’k op’n bijnen koom, doe loeder! zij bin nog nijt op’n bijnen = zij liggen nog te bed. Is het de Hoogduitsch vorm: auf den Beinen sein, dan behoort het tot art. n 7; zie aldaar.
golden bijnen, zie: piepen, en vgl. golden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
been , been , bien , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , 1) Het lichaamsdeel. Zegsw. Het wild zit (haar) in de bienen, (zij) wil telkens uit, is telkens van huis. Vgl. in de 17de e.: op ’t wilt slaen (HOOFT, Warenar 265), op ’t wilt raken (BREDERO; zie OUDEMANS, Wdb. op Bredero 487). – Over bientje rijden, beentje-over rijden (op schaatsen). – Bientje-strengel doen, Jongensspel, elkaar trachten beentje te lichten. – Zie andere zegsw. op hoofd, water, zoetjes. 2) Voet. – Evenzo elders in Holl. in Westl. Utrecht en in het Stad-Fri. || Trap me niet op me bienen. Ik heb zukke kouwe bienen. – Zegsw. (van een molen, die zonder zeilen gaat:) Hij loopt op (of met) bloote bienen. Zijn ook de borden er af, dan loopt hij op bloote bienen met de nagels van zijn tonen. – Op bloote bienen, ook als term bij het pandoeren. || “Ik speul der honderd.” “Met hoeveul roem?” “Honderd op blote bienen (d.i. zonder roem).” – Zie nog een zegsw. op droog en stijf en vgl. de samenst. jodebeentje en weversbeen. 3) Als naam van stukken land, die aan de ene zijde in twee of meer evenwijdige tongen (benen) uitlopen en vandaar tweebeen, driebeen of vierbeen worden geheten; zie die woorden. || Kees Aelberden bientgen, Piet Joosten bientgens, Maatb. Assend. (a° 1634). Het scherpe been (te Jisp). – Zie de samenst. benehok, krakelbeen, mikbeen, nekbeen, en vgl. ontkrombienen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
been , bijn* , (bldz. 509), Nederlandsch: bij het lijf; zie ook: ijn 2 en Leermens *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
been , bijnen* , ook: ’t zakt mie ien de schounen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
been , been , beendĕ , been.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
been  , bein , been. enkelvoud “bein” lang uitspreken, meervoud “bein” kort.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
been , bein , onzijdig , beine , beintien , been. Natte beine: natte voeten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
been , been , benen, voeten. Bene vege! (Verg. het spotliedje: O Leienaar, wat hebbie kouwe bene!)
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
been , been , zelfstandig naamwoord , beene , beentjen , 1 been, met voet, 2 poot van dier of ding. Met twee beene in eene hoaze loopm, eenzelfde doel nastreven; van de beene, omver; van de beene, dat rùst, zittend kan met uitrusten; iej kùent de beene neet in n noasek hòoln, bij ’t
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
been , been , zelfstandig naamwoord , beentjen , bot
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
been , beën , Flink beën maoke. keihard lopen, zich uit de voeten maken; Op de beën overeind, staande.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
been , bien , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Been. 2. Voet. 3. Visgraat. Zegswijze An je bien, verkocht, je zit er aan vast. – Ze het ’n bien broken, afwimpelende reactie op de vraag van kinderen wat hun moeder mankeert, wanneer deze het bed moet houden, omdat ze op het punt staat te bevallen. – Ze het ’n spoiker in d’r bien, zie de vorige zegswijze – Z’n bien (poôt) stoif houwe, niet toegeven, koppig zijn of blijven. – ’t Bien is stik tussen die twei, die twee hebben ruzie. – Da’s teugen ’t zere bien, dat is een opmerking of handelwijze die pijnlijk aankomt. Meervoud biene. Zegswijze deer zitte de biene vast, dat is nu net het probleem. – Deer benne de biene zeer. 1. Daar schuilt het probleem. 2. Daar hebben ze ruzie. – Mit de biene in ’t géren zitte, (door eigen schuld) in een lastig parket zitten. – Mit twei biene in ien kous (sok) zitte, voor een moeilijke keus of beslissing staan. Vgl. Fries mit twa fuotten yn ien hoas. – Van de biene (sokke) slaan. 1. (Gulzig) opeten en –drinken. 2. Overhoop halen, omvergooien. – Z’n biene benne nag maar nét koud, hij is nog maar net overleden. – Kouwe biene hewwe. 1. Traag, lui zijn. 2. Zuinig of gierig zijn. – Slappe biene hewwe. 1. Besluiteloos zijn. 2. Dronken zijn. – Op blôte biene, op blote voeten. – Mit de biene van huis lègge (zitte), met uitgestrekte benen liggen (zitten). – Dat zel wel in de biene zakke, dat zal wel niet doorgaan, dat zal zo’n vaart niet lopen. – Je biene benne nag niet bai je gat of, je kunt nog wel verder lopen, doorwerken, je houdt het nog wel een tijdje vol. – De biene te woid zette, teveel hooi op zijn vork nemen, teveel uitgeven of teveel financieel risico nemen. – De molen loupt op blôte biene, de molen draait zonder zeilen. – Je hewwe nag jonge biene, je bent nog jong, loop dus maar. – ’t Wild in de biene hewwe. 1. Losbandig, uitgelaten zijn. 2. Gejaagd zijn, begerig zijn om te beginnen of vertrekken. – De biene weer onder ’t gat neme, weer opstappen, vertrekken. – De biene weer onder ’t gat hewwe. 1. Hersteld zijn van een ziekte. 2. Er financieel weer boven op zijn. – Op z’n leste biene loupe. 1. Er lichamelijk slecht aan toe zijn, afgeleefd zijn. 2. Bijna failliet zijn. – Loup niet zô om m’n biene, loop me niet zo voor de voeten. – Da’s biene wasse mit je sokke (kouse) an, dat is nutteloos werk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
been , been , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking hij slaat er met één been naar : hij is gemakzuchtig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Bens, Lop) Zie ook *poot .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
been , béén , been.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
been , bien , biene , bientie , been (zn.); * hi hef meestal het pad tusse de biene: hij is vaak weg; van de biene, det rust: even uitrusten; ik wul oe niet in de biene jaeng: blijf rustig zitten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
been , bien , beein, been, bein, bain , bienen, biene , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Ook beein (Midden-Drenthe), been (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), bein (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), bain (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. been Hij hef kroeme bienen (Hav), Je moet je gien bien oet laoten trekken poot (Hijk), IJ hebt gien bien um op te staon (Klv), Hie giet er met de start tuschen de biene vandeur (Pdh), Mit het verkèerde bien uut bedde stappen (Dwi), Ie kunt er gien bien tussen kriegen speld (Hgv), Bientie aover doen beentje over bij schaatsen (Hgv), Een beste blok van een maid, die het bainen as gebinten van een schure (Vtm), Ik zal dai gauw even een baintie draaien een been om het been van een ander draaien en zo de ander laten vallen (Eev), Zuj Loeks niet een bientien können drèeien een loer draaien, beentje lichten (bl), Hij het de beinen weer onder het gat is er weer bovenop (Row), Zie hef ʼt lief vol arms en bienen is zwanger (Bor), Hij zet er het been op vilt (N:be), Ik had hum al van de bienen slagen de borrel uitgedronken (ec), Ien bientien haken pootje lichten (Man), IJ moet bienen maken zorgen dat je wegkomt (Sle), Even de bienties van de vloer! even dansen (Klv), De bienen onder de narm nemen er vandoor gaan (Bro), Hie hef de bienen oetsteuken is gestorven (Sle), Der gien bien in zien geen mogelijkheden zien (Die), Het beste beintie veurzetten (Een), Hie stiet met ien bien in het graf (Val), Hie löp op zien leste bienen (Odo), Ik heb mij de bienen oet het gat lopen (Bei), Het giet net zo as het bienen hef net zo als het valt (Sle), Hij hef het beein stief holden niet toegegeven (Bal), De bienen scheuten mij under het gat weg ik gleed uit (Sle), Het wordt tied daj de bienen ies bij een aander under taofel steekt het huis uitgaat (Oos), Zij stund op heur achterste bienen was kwaad (Noo), Der is een hoop volk op de beein (Eex), Wel hef dat prootien op bien bracht in de wereld gebracht (Sle), Hij hef mij het gras veur de bienen wegmeid voor de voeten (Gro), Dan moej het zölf an het zère bien binden gezegd als iets duurder uitvalt dan je had gedacht, of: dat geld krijg je toch niet (Sti), Aj de hiele dag lopen hebt hej ʼs aovends lange bienen (Sle), Hij kwam der op hoge beeinen anzetten (Bal), Hij hef hum lillijk bie het bein had bedrogen (Nsch), Dat kan ik mie nich oet de beinen snieden kan ik je onmogelijk bezorgen (Bov), Zie prot hum de bienen under het gat weg kletst geweldig tegen hem aan (Zwin) 2. verticaal paaltje van een hek (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), In een landhek zaten veer bienen (Emm), Ie mut de bienen van ʼt hekke èven wied van menaar maken (Bro) *Leugens hebt korte beinen (Bov); Op eein beein kuj neeit lopen 1 borrel is niet voldoende (Eex); Het bint starke bienen, die de weelde dragen kunt (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
been , béén , been. mv. been. verkl. bintje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
been , been , bîên , (Kampen) been. IJ löp em de benen uut ’t lief ‘hij slooft zich vreselijk uit’, IJ is met zien been over de repe egaon ‘hij moest trouwen’ (zie ook: pote). Ook: bîên (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
been , bien , bientien , been. ’t Linkerbien deu mien zeer. Ik zal is in de biene komm; bientien, beentje. Hie wol ’m ’n bientien lichn, mâr dât zat ’m niet glad.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
been , biin , benen , És'sew biin nie mér wulle dan zéd'de geklót, ge kunt dan toch zûiver niks mér. Als je benen je in de steek laten ben je invalide, dan kun je bijna niets meer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
been , bien , zelfstandig naamwoord , et 1. elk der beide benen van een mens 2. poot van een paard of koe 3. been van een passer, schaar e.d., zo ook elk der benen van een driehoek 4. been als onderdeel van een geraamte van mens of dier 5. gebeente 6. in stien en bien klaegen geweldig klagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
been , bêên , bijvoeglijk naamwoord , been D’n heelt van z’n schêêmes was van bêên Het heft van zijn scheermes was van been; Hij is van bêên Hij is keihard
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
been , bêên , zelfstandig naamwoord , bêêne , bêêntjie , been Hij ha’ s’n bêên gebroke Hij had zijn been gebroken; Een blok ajje bêên Een blok aan je been; Hij heb gêên bêên om op te staon Hij heeft geen enkel steekhoudend argument; Hij hief ter gêên bêên voor uit te zette Hij hoefde er niets voor te doen; Hij is van de bêên Hij kan niet verder; Hij hette bêêne weer onder ’t gat Hij is weer hersteld (ook: het gaat hem financieel weer goed); Hij leg mette bêêne van huis Hij ligt (ziek) te bed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
been , biejen , been
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
been , biejen , benen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
been , bien , (met lange ie) , (zelfstandig naamwoord) , been. Uitdr.: IJ löp met twie bienen in iene piepe ‘hij is erg onhandig of langzaam’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
been , bjeene , benen , gè lange en korte bjeene = er zijn lange en korte benen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
been , bjintjes , botjes , uitkijke vur de bjintjes = opletten voor de botjes die erin kunnen zitten-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
been , binke , beentje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
been , biëën , been, benen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
been , been , bien , 1. voet (kust van vm. Zuiderzee); 2. been; iemand de benen rech zetten, de waarheid zeggen; van de benen smieten, gaan zitten; iemand bij de benen vatten, beetnemen, voor de gek houden; de bienen over de repe slaon, overspel plegen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
been , bein , (bei~n), (bei\n), (bei\nke) , (onzijdig) , bein , beinke , been , Bein make: er vandoor gaan. Det haet zeker lang bein gekrege: dat is kwijtgeraakt. Doe höbs get t’r bein gebrach(t): jij hebt wat ter discussie gebracht. Doot dich vanne bein aaf: ga zitten. Gaotj gae mer zitte, want ich höb nog jóng bein. Ich kan de bein nog klamp vuueroet kriege: van vermoeidheid bijna niet meer kunnen lopen. Klage mèt gezónj bein: geen reden hebben om te klagen. Mètte stert tösse de bein t’r tössenoet gaon. Mèt ein bein in ’t graaf stoan. Mèt ei bein trèkke: mank lopen. Nog good t’r bein zeen. Op ein bein kóns se neet staon. Op eige bein kónne staon. Op zien echelste bein staon.Vreug oppe bein zeen: vroeg opgestaan. Waat de kop vergitj, mótte de bein misnete: als je iets vergeet, zul je er extra voor moeten lopen. Weer t’r bein zeen.’t Zeen sterke bein die de waeldje kónne drage: ’t is moeilijk jezelf te blijven in rijkdom. Zich de bein ónger de vot oetloupe. Zich oppe bein haoje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
been , been , m’n ene been is nog net zo licht as ’t andere, ik ben van de zorgen af; (letterlijk: ‘ik loop niet meer scheef van de zorgen’)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
been , bêen , zelfstandig naamwoord , bintje , "een been, verkleinwoord: beentje; bêen komt ook regelmatig voor als meervoudsvorm naast bêene; 1. Enkelvoud; Ik hè gin bêen mir om op te staon .Van Beek - Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: ""Toen was 't tegen 't kwaai been"" (""kaoi""), d.i. toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); Pierre van Beek: teegen et kaoj bêen (Tilburgse Taaklplastiek 123); Cees Robben: Et gao goed, zi den dòkter: et aander bêen moet er ók aaf .Cees Robben: et bêen is wir hêel; Cees Robben: men bêen dè slòpt; Ons moeder waar der wel wir mooi klaor meej, daor laag ze te bed; in de höskaomer. In de bedstee zal et wel te benauwd zèèn gewist; omdesse naa in un normaol bed laag, laag ze aaltij asse wir un kiendje; kréég, meej un schôon spraai erover. Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van dè lange haor tot op der kont. Aanders vlocht ze dè elke mèèrge tot tweee sterten en rolde die dan op tot un knötje, desse meej haorspelden bij elkaar hield. Zeker gin tèèd gehad, omdè dieje ooievaar ineens vur de deur stond. Dieje vogel ha ze wir in der béén gepikt, de rotzak. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); 2. Meervoud; Boutkan: (blz. 36) meervoud: bêene; Van Delft - ""Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op d'r leste beenen liep."" Dit is: Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929); Van Beek - M'n vrouw loopt op d'r laatste benen. - Haar zwangerschap loopt ten einde. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959); Cees Robben – uitdrukking: ‘van de bêên’; ziek - M’n vrouw is van de been afgeraokt (19671006); Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “…Pieta zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt… vruuger asse, aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen…hil veul!”. (transcriptie Hans Hessels 2014); Lodewijk van den Bredevoort – Trouwes daor liepe der un paor bij waorvan de toekomstige echtgenoote al op der liste bééne liep, wè die daor nog moesse koome leere, waar vur mèn un raodsel. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Lodewijk van den Bredevoort – Gelukkig han we nog jonge bêen… (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Klaoge meej gezónde bêen .Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej twee bêen ineens schuppe - erg kwaad zijn; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ast vlêes deraf is, gooje ze de bêene bèùte (HM ’5O) - typering van werkgevers die personeel ontsloegen als het oud was .Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEEN - bien zelfst nw.o .mv. -?; 3. Verkleinwoord; Dirk Boutkan: (blz. 31) bintje; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - óp de Mookerhaaj meej zen bintjes ligge te rammele (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) - dood zijn; Beenderen; Cees Robben: et vlêes liever as de bêene; WBD III.1.1:28 'benen' = beenderen; WBD III.1.3:239 'beenkap' = lappenkous; Etymologie: ; Got. baina, D. Bein, N. been, T. been; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Op krt. 64 m.b.t. suffixloos plur. is T een grensgeval.intje; verkleinwoord; been bintje (vocaalkrimping); Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hòns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hèbbe we mèèrege soep èn kaojkes, zôo… (transcriptie Hans Hessels 2014) zie Klik hier voor audiofragment; zie bêen"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
been , bei~n , bein , bei~ntje , been
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut