elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kraam

kraam , krampjes loopen , krampjes slaan, een kransje loopen , zijn hier de gewone uitdrukkingen voor het heimelijk schoolverzuim. De heer De Jager geeft in zijne uitvoerige verhandeling over de verschillende benamingen van die daad, te vinden in zijn Archief I, bl. 185-204, de eerst aangehaalde op als in Dord gebruikelijk. Hij beschouwt ze als eene verbastering van kraampjes loopen en door de tweede hierboven opgegevene wordt zijne gissing zeker vrij waarschijnlijk. De derde schijnt hem onbekend geweest te zijn. Ik vermoed dat kransje daar beteekenen zal een ronden omtrek, eene rondte en dus een kransje loopen wat rond loopen, wat flaneeren.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
kraam , kraom , (mannelijk) , kräome , tent, kraam, kraambed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kraam , kraam , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zegsw. Dat kan (of daar kan men mee) voor de kramen om (of langs), daar kan men mee voor de dag komen, men behoeft er zich niet voor te schamen. || Nou, die hoeft ok niet met zen vrouw verlegen te wezen; die ken er mee voor de kramen om. Ja, kind, … ik (een vrouw) ben groos op me nuwe jas. En niet alleen dat ik van bovene mooi ben, ik durf ook wel met me ondergoed veur de krame langs. Sch. t. W. 277. – Zo ook bij andere Holl. schrijvers; b.v. WOLFF en DEKEN, Economische liedjes 2, 180: Je meugt wel veur de kraamen om, met zo een flinkze Tas (meid). Vgl. BOLLEBUISJESKRAAM, loertkraam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kraam , kraomĕ , kraam.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kraam  , kraom , kröömke , kraam, In de kraom, kraambed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kraam , kraom , mannelijk , kreame , kraam. Dät koomp in zienen kraom neit te passe: dat past hem niet. Hen kraomschudden gaon; op kraamvisite gaan.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kraam , kroam , zelfstandig naamwoord, mannelijk , krùeme , krùemken , 1 bevalling, 2 malle vertoning, 3 tent op de markt, 4 intrigant. Dr met op n kroam komm, er mee komen te zitten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kraam , kraam , zelfstandig naamwoord de , 1. Koopmanskraam, kermiskraam. 2. Koopwaar. 3. Het totaal bezit aan bloembollen. | Hai het ’n beste kraam tulpe. 4. Kraambed.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kraam , krame , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze nag best voor de krame om kenne, er voor zijn of haar leeftijd nog goed uitzien, nog goed kunnen meekomen. Letterlijk men mag voor de kermiskramen omlopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kraam , kraom , tent, stalletje op de markt waarin de goederen tentoongesteld zijn.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kraam , kroam , kroame , 1. rommel, troep. 2. kraam (op de markt). 3. kraam (bevalling).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kraam , kroam , 1. rommel, troep; 2. kraam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kraam , kroom , marktkraam, kraambed, bevalling. Dè kunt in zunne kroom te páás, dat is koren op zijn molen
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kraam , kraome , 1. kraam; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kinderbed; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: rommel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kraam , kraom , 1.kraam, bevalling. Iej komp nog in de kraom van de zunneklipse. 2. kraam. Daor stond mar iene kraome op de karmse. 3. rommel, smeerboel. Daor was mie toch ’n kraome.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kraam , kraom , kraam , Ge schét nouw wél lullek in m'n kraom. Je poept nu wel lelijk in mijn kraam. Je zit me nu wel lelijk dwars.
De mért stôn vol kraome, 't was'ser ók wél wiir vur én druk dét'ter was. De markt stond vol kramen, het was er ook wel weer voor en druk dat het er was.
Verkleinvorm krômke. T’is aalté druk bè dieje mèns mi dé kléén krômke, ik dènk dé't goed draojt. Het is altijd druk bij die man met dat kleine kraampje, ik denk dat het goed floreert.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kraam , kraem , zelfstandig naamwoord , kraeme , kraempie , marktkraam; kraeme schotten, opzetschotten voor boerenwagens De peekraeme binne nietet zellefde as misleere De opzetschotten voor bieten verschillen van die voor mest
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kraam , kroom , bevalling
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kraam , kraome , (zelfstandig naamwoord) , kröömpien , kraam. Die kraome stiet niet meer op de märkt. Dät kump goed in zien kraome te passe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kraam , krôm , krùmke , kraam
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kraam , kraom , kraam, kraomerie , 1. kraam(bed); 2. rommel, santekraam; in de kraom motten, in verwachting zijn; in de kraomerie kommen, in verwachting zijn (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kraam , kraom , (mannelijk) , kräöm , kräömke , 1. kraam, marktkraam 2. bedoening, rommel 3. boel, spullen , Eine slókkraom: een snoepkraam.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kraam , kraom , zelfstandig naamwoord , kròmke , kraam, kraambed; marktwinkel; Cees Robben – en vrouw int kraombèd; Èn as ons moeder dan in de kraom laag, kwaam de femielie èn de buurt meej de krommen èèrem. Die bròchte dan vur heur in der körf ammòl lèkker spul meej om òn te stèèrke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001); Dialectenquête 1876 - kerremiskroam; De Wijs – As ik oew staandpunt ken, za’k oew kraompke wellus omschuppe (17-08-1964); WBD (III.3.2:272) kraom = kermistent; ook: 'barak'; WBD III.2.2:5 'miskraam, misval' = miskraam; ook 'misje', 'kwade kraam'; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - znw.vr - kraam; dem. 'kromke(n)'; Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRAAM znw.o. en niet v. 1) marktwinkel; 2) bevalling v.e. kind; kròmke; kraampje; verkleinde vorm van 'kraom, met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kraam , kraom , kräöm , kräömke , kraam
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut