elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: winde

winde , winde , (vrouwelijk) , convolvulus sepium.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
winde , winde , wien , de linnen of katoenen strook of band die bij het aderlaten gebruikt wordt; winde = wien = zulk een strookje dat tot verbinden eener wonde gebruikt wordt, zwachtel; ook, dat samengevouwen op den navel van een pasgeboren kind wordt gelegd; ook Oostfriesch. – Oudtijds windel = windsel, zwachtel, Maastrichtsch windel; Ezech. 16:4, Boek der Wijsh. windeldoek. Hoogduitsch Windel = luier; Windelband = zwachtel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
winde , wind , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Op de gewone N.-Holl. wijze afgekort van winde (VAN DALE). Windas. Thans ongebruikelijk. || Item, dat men niet tusschen die zaey-landen sal moghen visschen, om die schuyt mette haeck voort te halen, ende in ’t landt te slaen: maer sullen moeten met een lijn palmen, ofte met een windt winnen (octrooi v. Oostzanen, a° 1628), V. SANTEN, Priv. v. Kennemerl. 145.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
winde , winde* , wien , Hoogduitsch Windel = luier, Windelband = zwachtel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
winde  , win , winde.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
winde , weene , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , weenn , weennken , dommekracht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
winde , wien , m , b/ vijzel, c/ dommekracht
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
winde , wienen , windsels
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
winde , wind , zelfstandig naamwoord , winde; instrument om de kap van een hooiberg mee omhoog te draaien (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: het hooi .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
winde , winde , mechaniek voor opdraaien van een hooibergkap of ander zwaar voorwerp, dus niet hetzelfde als een bârgwaoge.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
winde , wing , zelfstandig naamwoord , winge , wiñchie , 1. akkerwinde, heggewinde Mêêstal noemde de kindere ’t pispotjies 2. windas, lier, dommekracht Meddun kelderwing kejje een zwaer ding opkrikke Met een windas kan men zware dingen omhoog krikken 3. takelinrichting bij hooiberg met in hoogte verstelbaar dak
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
winde , wèìjn , krik
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
winde , winj , (vrouwelijk) , winje , 1. akkerwinde 2. takel, dommekracht 3. smalle gang tussen huizen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
winde , wèèn , zelfstandig naamwoord , "dommekracht; N. Daamen - handschrift 1916 - ""wain - een dommekracht"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut