elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: polkahaar

polkahaar , pòlkahaor , Gladgestreken mannenhaar, dat aan de onderzijde naar binnen is omgekruld.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
polkahaar , [haarstijl] , pòlkahaor , Gladgestreken mannenhaar, dat aan de onderzijde naar binnen is omgekruld.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
polkahaar , pollekehaer , zelfstandig naamwoord , pollekehaere , pollekehaertie , polkahaar (kortgeknipt haar, dat in de twintiger jaren van de twintigste eeuw bij meisjes in zwang kwam, wat op veel weerstand stuitte, omdat vrouwen lang haar behoorden te dragen naar bijbels voorschrift)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut