elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: panharing

panharing , pan-ering , pan-erik , (Kampen) verse haring. Ook: pan-erik (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
panharing , panheerenk , panharing.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
panharing , pan-ering , pan-erink , (zelfstandig naamwoord) , panharing.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
panharing , panhirring , mager persoon, panharing
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
panharing , panhèrring , zelfstandig naamwoord , "1. bakharing; WBD III.2.3:71 'panharing' = ongezouten, al of niet gerookte haring in de pan, ook genoemd: 'gerookte haring', 'zoete haring' of 'lammetje zoet'; Jè, èèrme meense vis, enne gebakken panherring, jè femilie van de bukkum. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); 2. opvallend magere persoon; J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): PANHÈRING: panharing, zeer mager manspersoon, Corn.Vervl. A 1957. WNT XII I 275, s.v.pan (I), samenst. 3e betekenis: (oneig.) ""zeer mager mensch"". Z.a. (blz.32.); Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANHÈRING zelfstandig naamwoord m. - panharing, zeer magere manspersoon."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut