elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huks

huks , huks , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een kleine bijl met aan weerskanten gelijkmatig aangescherpte snede, aks. Het woord schijnt alleen bij molenmakers in gebruik te zijn. Deze onderscheiden handhuksen en roedhuksen, die daarin van elkaar verschillen, dat de steel dezer laatste langer is; het ijzer is van beide gelijk. De handhuksen worden gebruikt om kammen en dergelijke kleine stukken te hakken, de roedhuksen voor het afhouwen der molenroeden. Het woord komt ook in inventarissen uit de vorige eeuw herhaaldelijk voor, b.v.: Drie bijlen, een huks, een dissel, Invent. houtzaagmolen, archief v. Westzaan. – Volgens HALBERTSMA 138 is in Friesl. heksebile in gebruik naast akse. – Aks is aan de Zaan onbekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
huks , huks , zelfstandig naamwoord de , Kleine bijl met aan weerskanten gelijkmatig aangescherpte snede.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut