elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eest

eest , eest , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In sommige molens en fabrieken. Haard om het fabrikaat op te drogen. Het woord is waarschijnlijk algemeen Ned.; zie VAN DALE en FRANCK. || Wij hebben een eest, waar gort gedroogd wordt voor verzendingen (in een pelmolen), Arbeids-enquête (a° 1891), 1378. Item, die volgens de eysch van stijfselmaken ... den Eest stoockten, Priv. v. Westz. 163 (a° 1601), ‒ Vgl. eesten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
eest , eest , iest , zelfstandig naamwoord , de; droogvloer, eest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut